Het systeem met zoetstof, review van Captain Fantastic


***SPOILER ALERT*** Captain Fantastic (Matt Ross, 2016) gaat over Ben Cash (Viggo Mortensen) die zijn roedel kinderen op licht militaristische wijze tot über-hippie-menschen opvoedt. Ze wonen teruggetrokken in de bossen, tot Bens vrouw zelfmoord pleegt. Haar vader geeft Ben de schuld, en geeft hem te kennen dat hij en de kinderen niet welkom zijn op de begrafenis. Vanzelfsprekend gaan ze toch – met hun hippie bus, Steve genaamd. Captain fantastic is een ‘interessante’ – een woord dat Bens kinderen niet mogen gebruiken, omdat het nietszeggend is – film over helden, wereldverbeteraars en een beetje dialectiek. En over The Man. Met een sausje zoetstof.

Held en wereldverbeteraar

De titel, Captain Fantastic, roept onvermijdelijk het beeld op van een superheldenfilm. Maar, zoals Viggo Mortensen zelf zei in een interview:

There really isn’t a hero. As you go along, you sort of cringe and see some of the things in this character you dislike most — rigidity, authoritarianism.

Mij deed het denken aan een onderscheid dat Larissa MacFarquhar in haar net vertaalde boek Wereldverbeteraars maakt tussen helden en… wereldverbeteraars. Helden zijn volgens haar mensen die inspringen op een crisis in hun directe omgeving. In zekere zin slaat dat op Ben Cash. Het idee om in het bos te gaan wonen kwam voort uit een poging zijn vrouw te helpen omgaan met haar bipolaire stoornis.

Een wereldverbeteraar is heel anders dan een held. Volgens MacFarquhar zijn dat mensen die proberen een ethisch zo voortreffelijk mogelijk leven te leiden. Het zijn vaak bemoeials, die anderen lastig vallen vanaf hun moral high ground. Ethisch voortreffelijk zijn overschaduwt de aandacht voor de directe omgeving. Enerzijds lijkt dat beslist niet van toepassing op Ben. Hij geeft immers meer om zijn gezin dan om wat dan ook. Goed doen is voor hem niet iets abstracts. Anderzijds bekent hij aan het einde van de film dat hij ergens wel wist dat hij zijn vrouw niet op zijn manier kon redden. En toch zette hij door.

Een synthese met zoetstof

Die spanning maakt Ben een interessant karakter. Net zoals hij misschien tegelijk held en wereldverbeteraar is, zo is hij ook tegelijk zachtaardig en totalitair. Is hij nu een soort superdad, of kunnen we hem even goed zien als een geestverwant van de vader in de fantastische documentaire The Wolfpack (Crystal Moselle, 2015), die eerder een soort sekteleider was? Als Bens dochter op een gegeven moment een analyse moet geven van de hoofdpersoon van Nabokovs Lolita, dan realiseer je je dat zij het even goed over Ben zelf had kunnen hebben. Een karakter dat zowel haat als medelijden opwekt.

Die spanning in Bens karakter nodigt uit tot een klein stukje dialectiek. In de meest basale uitleg slaat dat op een spanning tussen twee polen (these en antithese), die door de tijd heen wordt opgelost (synthese). Die twee polen zijn verenigd in het karakter van Ben. Ze zijn immanent aan zijn persoon, ze behoren hem allebei toe. Het is niet zo dat hij de ene pool (these) is, en dat er per se een ander karakter als tegenpool (antithese) nodig is om spanning op te wekken. Natuurlijk maakt een externe tegenpool het allemaal wel wat makkelijk. Daarom is Bens schoonvader er, Jack (Frank Langella). Hij lijkt alles te zijn wat Ben niet is: vertegenwoordiger van het grootkapitaal en van de maatschappelijke orde. Gaandeweg vraag je je af of ze wel zo verschillend zijn.

Als er een dialectisch proces plaatsvindt tussen these en antithese, wat is dan de synthese waarop de film uiteindelijk landt? Aan het eind van de film realiseert Ben dat hij zijn kinderen vreselijk benadeelt met zijn levenswijze. Even lijkt hij ze te verlaten. Jack, daarentegen, ontpopt zich als een amicale Godfather, die de zorg voor de kinderen wel op zich wil nemen. Uiteindelijk komt het niet zo ver. Ben komt tot inkeer. Samen met zijn hele roedel betrekt hij een charmant houten huisje. Ze passen zich aan aan de maatschappelijke orde van Jacks wereld. De kinderen gaan voor het eerst naar een normale school. Braaf doen ze hun huiswerk. Zoals de vriendin met wie ik de film zag scherp opmerkte: ze leren ineens over wilde dieren uit een boekje, en niet meer in het bos. Er is een zachte ochtendzon. Er is warme koffie. Er is zoetstof.

Glue it to the Man

Er zit een fikse dosis jaren ’60 tegencultuur in Bens anarchistische wereldbeeld. Daar zitten twee kanten aan. Enerzijds is er het verzet. Het systeem moet omver. Als Jack de wens van zijn dochter om gecremeerd te worden niet respecteert, komen Ben en de kinderen in opstand. Ze gaan op de missie ‘save mom’. Koste wat kost moet ze niet begraven worden. Power to the People! Stick it to Man!, zoals het jongste dochtertje herhaaldelijk roept.

Anderzijds proberen ze helemaal niet ‘het systeem’ omver te werpen. Ze trekken zich er juist uit terug. Ze gaan off the grid. Ze bedrijven ‘prefiguratieve’ politiek, een onderwerp waar mijn broer zich in zijn onderzoek mee bezig houdt.  Ze zijn de verandering die ze willen zien. Het is een manier om je tot ‘het systeem te verhouden’, zonder het actief omver te werpen.

Na de jaren ’60 verloren systeemcritici terrein aan mensen die benadrukten dat je maar beter kon bedenken hoe je je tot dat systeem moest verhouden. Zoiets zou je bijvoorbeeld ook kunnen zeggen over de verandering die de Franse filosoof Michel Foucault aan het eind van zijn leven doormaakte. In het midden van de jaren ’70 beschreef hij nog op cynische wijze hoe systemen ons achter onze ruggen om probeerden te disciplineren. In de vroege jaren ’80 wende hij zich van de systemen af. Hij legde zich toe op manieren waarop we voor onszelf en anderen kunnen zorgen. Systemen zijn er toch wel, we kunnen maar beter zorgen dat we er niet aan ten onder gaan. Mogelijk spreekt daar dan nog de hoop uit dat het systeem ooit eens zal veranderen, als we allemaal wat beter voor onszelf en anderen zorgen. Maar dat is toch iets anders dan Stick it to the Man!

Tot slot terug naar de synthese. De oplossing die Ben en zijn kinderen lijken te hebben omarmd is om het systeem maar gewoon te accepteren. He used to be a man with a stick in his hand, om met Queen te spreken. Of met Kurt Vile: Well I think by now you probably think I am a puppet to the Man / Well, I’ll tell you right now you best believe that I am / Sometimes I’m stuck in and I think I can unglue it. Zo lang je huis er nog maar een beetje hippie-achtig uitziet, is er niets aan de hand. Het klinkt naar wat wat Herbert Marcuse in 1964 de ‘eendimensionalisering’ van kritiek noemde. Kritiek die gewoon een plaatsje krijgt in het systeem. Dat einde is onbevredigend. Had dat niet anders gekund? Had de regisseur niet een manier kunnen verzinnen waarop ze in het systeem konden leven, zonder het over te nemen? Door op zijn minst hard te lachen om die malle plaatjes van die tijgers in de schoolboeken?

In Trouw: Verbeter de wereld, lees een filosoof


Lees het oorspronkelijke artikel op Trouw.nl
Leonie Breebaart − 11/04/16, 23:07
© Eva Hilhorst. Komende vrijdag, tijdens de Nacht van de Filosofie, wordt bekendgemaakt wie van de vijf genomineerde filosofen de trofee een jaar lang in de kast mag zetten.

Wie zal vrijdag de Socrates Wisselbeker winnen? Aan engagement ontbreekt het geen van de vijf auteurs. De wereldverbeterende filosofie is terug.

Kunnen we de wereld verbeteren door er anders over te denken? Die pretentie zullen weinig filosofen hardop uitspreken, maar de Socrates Wisselbeker voor het ‘meest urgente, oorspronkelijke en prikkelende Nederlandstalige filosofieboek van het jaar’ voedt de hoop dat zoiets mogelijk is wel. Komende vrijdag, tijdens de Nacht van de Filosofie, wordt bekendgemaakt wie van de vijf genomineerde filosofen de trofee een jaar lang in de kast mag zetten.

Filosofische reflectie op veel bediscussieerde kwesties – ongelijkheid, radicaliserende jongeren, crisis in de kunst – kán extra greep geven op zo’n probleem, wat weer kan leiden tot een effectievere aanpak. Dit jaar snijden de vijf genomineerden niet alleen allemaal een thema aan dat een groter publiek dan vakgenoten zal aanspreken, er klinkt in hun werk – vaak geïnspireerd op de ideeën van de Franse filosoof en socioloog Bruno Latour – ook een opvallend engagement door.

In sommige gevallen verleidt de filosoof de lezer zelfs tot een radicaal andere levensstijl – het is moeilijk onbezorgd vlees te blijven eten na het lezen van ‘Een beestachtige geschiedenis van het denken’ van Erno Eskens.

  • Zijn filosofen nog wel in staat de waarden van de Verlichting onverbiddelijk te verdedigen?

© TR Beeld. Tinneke Beeckman – Macht en onmacht. Een filosofische zoektocht.

Tinneke Beeckman
Vooral Tinneke Beeckman (1976) weet met haar boek ‘Macht en onmacht’ meteen een gevoel van urgentie op te roepen. Dat zij columnist is voor de Vlaamse krant De Standaard en dus dicht op het nieuws zit, speelt daarin misschien mee: door de aanslagen op de redactie van Charlie Hebdo als uitgangspunt te nemen, zet ze de lezer meteen midden in de actualiteit.

Daarbij leeft de vraag die Beeckman in ‘Macht en onmacht’ aansnijdt minstens zo sterk in Nederland als in België: zijn filosofen nog wel in staat de waarden van de Verlichting onverbiddelijk te verdedigen?

Of heeft het postmoderne denken, dat volgens Beeckman de hele westerse mentaliteit heeft geïnfecteerd, datzelfde Westen van elke mentale slagkracht beroofd? Volgens Beeckman is dat laatste inderdaad het geval. “Elk denken heeft normen voor waarheid en waarachtigheid nodig”, schrijft Beeckman, “maar de ironische postmodernist beschouwt het als zijn taak om meteen de andere kant van de stelling te zien.”

Daar lijkt Beeckman een punt te hebben: als je waarheidaanspraken voortdurend bestrijdt vanuit de gedachte ‘dat het er maar aan ligt hoe je het bekijkt’, hoe weerspreek je dan nog de aperte lariekoek, zoals de onder jongeren populaire theorie dat ‘9/11’ en de aanslagen in Parijs het werk waren van westerse inlichtingendiensten?

Alleen: de gedachte dat een paar postmoderne filosofen verantwoordelijk zijn voor de huidige explosie aan complottheorieën, geeft hen te veel eer. Internet en het gevoel van uitsluiting lijken een logischer oorzaak. Omdat Beeckman de oorzaak bij een manier van denken legt, ziet ze daar ook een oplossing. Maar je kunt filosofen moeilijk verordonneren terug te keren tot een geloof in ‘dé waarheid’ dat een eeuw geleden filosofisch al naïef klonk

© TR Beeld. Wouter Mensink – Kun je een betere wereld kopen?

Wouter Mensink
Actueel en aansprekend is ook ‘Kun je een betere wereld kopen?’ Wouter Mensink (1979) snijdt een probleem aan waar we in het dagelijks leven waarschijnlijk nóg vaker mee worstelen dan met een aanslag: de ethische dilemma’s in de supermarkt. Kies ik dit keer voor Fair Trade-koffie of voor dat goedkopere merk? Moet ik me dan schuldig voelen? Hoe weet ik trouwens of dit keurmerk echt deugt?

In elk geval vindt Mensink het onverantwoord die keuze helemaal op het bord van de individuele consument te schuiven. Eerlijke wereldhandel is een collectief probleem. Geïnspireerd door Peter Sloterdijk en Bruno Latour (ook een inspiratiebron van Beeckman) stelt hij voor te werken aan netwerken van ‘immuniteit’, waarin foute producten niet kunnen doordringen: dorpen of werkplekken bijvoorbeeld, waar alleen eerlijke producten te koop zijn. Een praktische, maar goed onderbouwde conclusie, die je met recht wereldverbeterend kunt noemen.

© TR Beeld. René ten Bos – Bureaucratie is een inktvis

René ten Bos
Toch mist Mensink de filosofische esprit die een boek kan uittillen boven het louter verhelderende. En dat is juist een eigenschap waar de productieve (en al meermaals voor deze prijs genomineerde) René ten Bos in uitmunt, zeker voor een filosoof die zich bezighoudt met het ‘saaie’ terrein van bestuurskunde en management. Stilistisch laat Ten Bos zich liever inspireren door de kunst van de roman en dat is te merken aan zijn sprankelende taalgebruik en inventieve metaforen.

Alleen al de titel van zijn kanshebbende boek, ‘Bureaucratie is een inktvis’, is een aparte mix van twee werelden, die weinig met elkaar te maken lijken te hebben. Maar Ten Bos ziet juist een nauw verband tussen het glibberige zeewezen dat zich in een wolk van inkt kan verbergen en de bureaucraat (of ‘inktschijter’) die de simpelste vragen beantwoordt met een ondoordringbare berg aan nóg meer formulieren. “Camouflage is zijn kerncompetentie”, schrijft hij dan met typerend gevoel voor humor.

In zijn zoektocht naar de bronnen van de formulieren-drift waar zoveel werknemers in moderne organisaties onder gebukt gaan, laat de auteur ons onder meer kennismaken met de uitvinder van ‘Scientific Magagement’, de Amerikaan Frederick Winslow Taylor (1856-1915).

Dat levert even prachtige als verhelderende passages op, maar een actieplan tegen de bureaucratie rolt er niet uit, daarvoor vindt Ten Bos het fenomeen ook te fascinerend. Bovendien valt het sowieso niet uit te roeien. Zijn kritiek op bureaucratische idiotie verpakt Ten Bos vooral in satirische formuleringen. Prachtig om te lezen, maar de wolkachtige structuur maakt dat ‘Bureaucratie is een inktvis’ niet echt bijt, niet gevaarlijk wordt. Al zou het de Socrates Wisselbeker om zijn oorspronkelijkheid dubbel en dewars verdienen.

  • De neiging om `het lagere¿ uit te stoten, heeft te lang geduurd. Laten we met dieren niet die fout maken

Erno Eskens
Gevaarlijker en radicaler is ‘Een beestachtige geschiedenis van de filosofie’ van Erno Eskens. De uitgever en filosoof die zich al veel langer sterk maakt voor de rechten van het dier, probeert in dit boek de geschiedenis van de filosofie te herschrijven zonder zich schuldig te maken aan de Tiervergessenheit die hij in de traditie bespeurt: het buitensluiten van het dier als een wezen van een lagere categorie.

Ondanks de schat aan informatie die Eskens daartoe bijeenbrengt en die zich uitstrekt van Plato tot Dick Swaab, is deze uitgave zeker geen onderonsje tussen filosofen. Door de schitterende illustraties ziet het boek er niet alleen uit als een koffietafelboek, ook in zijn taalgebruik, soms bijna gezellig, richt Eskens zich tot leek.

En dat past bij de radicaal-democratische inzet van dit boek. “Het denken in termen van hogere en lagere wezens zal eeuwenlang het ‘gebruik’ van vrouwen, slaven en dieren ‘voor hogere doeleinden’ legitimeren”, schrijft hij. Met andere woorden: de menselijke neiging om ‘het lagere’ uit te stoten, heeft volgens Eskens al te lang geduurd. Laten we met dieren niet diezelfde fout maken.

Eskens’ engagement leidt tot een radicaal andere benadering van het dier. Zoals hij vorige week vrijdag in Trouw al vertelde, vindt hij het ‘verachtelijk’ het denken toe te snijden op een visie die ons goed uitkomt. Dat kan een reden zijn om Eskens’ boek te bekronen als het urgentste van het jaar.

Tekst loopt door onder foto.

© TR Beeld. Erno Eskens – Een beestachtige geschiedenis van de filosofie
  • Kunst kán inderdaad die ruimte zijn waar wereldse taboes, verboden verlangens, verdrongen herinneringen wél uitgesproken mogen worden

© TR Beeld. Arnold Heumakers – De esthetische revolutie

Arnold Heumakers

Toch is er nog een manier om het denken te volgen waar het heen loopt, zoals Arnold Heumakers laat zien met zijn indrukwekkende studie ‘De esthetische revolutie’. Anders dan Erno Eskens lijkt Heumakers (1950), literair criticus voor NRC Handelsblad, in het werken aan dit boek werkelijk een antwoord te hebben gezocht op een vraag – dus zonder nog te weten waar hij zou uitkomen.

Welke vraag dat was, beschrijft hij achterin het boek het mooist. Dan bekent hij dat hij zich regelmatig heeft geërgerd aan kunstenaars die ‘hun zondagse gezicht opzetten’ om te oreren over de unieke plek van kunst als een instantie van maatschappijkritiek, verbeeldingskracht enzovoorts. Is dat nou echt zo? Heeft de kunst de maatschappij echt iets bijzonders te bieden?

Na een uitputtend onderzoek naar de wortels van het moderne kunstbegrip – in de Verlichting en in de Romantiek – concludeert de auteur min of meer tot zijn eigen verbazing dat hij de aspiraties van de kunstenaar toch wel begrijpt. Kunst kán inderdaad die ruimte zijn waar wereldse taboes, verboden verlangens, verdrongen herinneringen wél uitgesproken mogen worden. “Er is zoveel waarheid, zoveel werkelijkheid waar de wereld geen behoefte aan of emplooi voor heeft. In de literatuur kan daar een plek voor gevonden worden.”

‘De esthetische revolutie’ is niet alleen informatief en diepzinnig, ook precies, erudiet en elegant geschreven: nu al een standaardwerk van de moderne esthetica.

En toch, als de jury vasthoudt aan de criteria van deze prijs, dan maakt Heumakers niet veel kans. Kunstliefhebbers zullen zijn pleidooi urgent vinden, maar heel oorspronkelijk of prikkelend is ‘De esthetische revolutie’ niet. Als de jury aan alle drie de criteria wil voldoen, ligt het voor de hand te kiezen voor de beestachtige filosofie van Erno Eskens.

Komende vrijdag, tijdens de Nacht van de Filosofie, wordt de winnaar van de Socrates Wisselbeker bekendgemaakt. Na het rumoer over het geringe aantal vrouwen waaruit de jury kon kiezen (zes op de 64 voor deze prijs ingezonden boeken) zwengelt Fleur Spier bij deze gelegenheid een debat aan over diversiteit.

Zie ook http://www.filosofie.nl/vrouwifest

In Filmkrant: Crimineel in de supermarkt


Lees het oorspronkelijke artikel op Filmkrant.nl

Ben je als consument verantwoordelijk voor misstanden aan de andere kant van de wereld? Drie documentaires onderzoeken het nieuwe eten: Tony reconstrueert de ‘slaafvrije’ reep Tony’s Chocolonely, Tomorrow draagt oplossingen aan voor de dreigende voedseltekorten en That Sugar Film klaagt de suikerindustrie aan.

Door Mariska Graveland

Als je met je boodschappenkarretje door de winkel rijdt, ben je niet alleen in je basisbehoeftes aan het voorzien, maar navigeer je ook kriskras langs de wereldproblemen: in het schap met chocolade wordt je geconfronteerd met slavernij, bij de vruchtensappen doemt de obesitasepidemie onder kinderen op, bij de ontbijtgranen besef je dat de biodiversiteit aan het afnemen is. De keuze is tegenwoordig aan de consument: wil je slavernij blijven financieren of niet? Door passief chocola te eten doen we daar volgens tv-maker Teun van de Keuken toch echt aan mee. “Je bent hier verantwoordelijk voor wat daar gebeurt”, zegt hij in de documentaire Tony die over zijn chocoladereep Tony’s Chocolonely is gemaakt.
Want dit is de redenering: de koper bepaalt of de misstanden blijven bestaan of niet, omdat de markt zich aan de consument zal aanpassen. De koper is daardoor medeschuldig aan wantoestanden. Maar de consument wordt zo een complex aangepraat, schrijft Wouter Mensink in zijn boek Kun je een betere wereld kopen? Teun van de Keuken probeerde zelfs om veroordeeld te worden voor het eten van chocola. Hij belde op een dag de politie met de mededeling: “Ik vroeg me af of ik me zou moeten aangeven. Ik financier eigenlijk de kindslavernij.” De rechtszaak is uiteindelijk niet-ontvankelijk verklaard. In 2007 bleek ook zijn eigen chocoladereep niet honderd procent slaafvrij. Bij zijn bezoek aan de ‘fair trade’ cacaoboer Kuapa Kokoo in Ghana bleek tot zijn schrik dat er flink wat mis was op de plantage. Die ontdekking staat overigens wel eerlijk aan de binnenkant van de chocoladewikkels en komt ook uitgebreid aan bod in de documentaire. Wie goed wil doen, stuit vaak ergens in de keten op misstanden die buiten zijn macht liggen.
Van de Keuken vindt de reep inmiddels te veel een commercieel product met ‘een goed verhaal’ geworden. “Als ik denk hoe weinig er teweeg is gebracht, betreur ik het dat mijn naam op de reep staat”, zegt hij in de documentaire. “Tony’s is opgericht om de slavernij in de chocolade-industrie uit te bannen. Maar daar komt niets van terecht. Er is nu meer slavernij dan toen wij er tien jaar geleden mee begonnen. Als Tony’s niet had bestaan had dat helemaal niets uitgemaakt.”
De commerciëler ingestelde nieuwe directeur van Tony’s is van mening dat bij chocolademultinationals echt geen criminelen werken, het is eerder een systemisch probleem. Klaus Werner-Lobo, auteur van het Zwartboek wereldmerken, draagt een oplossing aan: de consument moet zich verenigen en organisaties oprichten. Zodat je er niet alleen voor komt te staan als je aangewakkerde kooplust weer eens de kop opsteekt. Ook hier word je geacht actie te ondernemen.

Schaars
Maar hoe moeilijk het is om het juiste te doen, blijkt wel weer uit de aftiteling van Tomorrow, een Franse documentaire die allerlei (westerse) oplossingen aandraagt voor de grote wereldproblemen. Helemaal onder aan de aftiteling staat dat de filmproducent 4622 bomen heeft geplant als onderdeel van het Kuapa Kokoo-project in Ghana, dezelfde fair trade co-operatie waar het team van Tony’s eerder wantoestanden aantrof. De filmproducent dacht dat hij iets goeds deed maar je kan een fair trade-keurmerk niet altijd vertrouwen, zo ontdekte het Tony’s-team al.
Dat doet verder niets af aan de oprechte poging van Tomorrow om goede ideeën te inventariseren die naderende rampen moeten keren: water, voedsel en fossiele brandstoffen zullen alsmaar schaarser worden. Een aantal bevriende filmmakers heeft zich verenigd om wereldwijd te kijken welke ideeën hierover al in de praktijk zijn gebracht. Ze gaan langs bij agri-ecologische bedrijven, grow your own food-initiatieven in bouwvallig Detroit en permacultuur in Frankrijk. Ook in Tomorrow wordt de bal bij de consumenten gelegd: wij kunnen een nieuw economisch ecosysteem stimuleren door niets te kopen van de multinationals, is het advies dat we meekrijgen.

Manisch
Waarschijnlijk is de consument eerder een speelbal van de markt dan een soeverein individu dat vanzelf de juiste keuzes maakt. Dat laat ook That Sugar Film zien. In deze Australische documentaire krijgt de suikerindustrie ervan langs. De documentairemaker eet als experiment drie weken lang veertig theelepels suiker per dag (het gemiddelde in Australië) door zogenaamd gezond voedsel te eten zoals vruchtenyoghurt, ontbijtgranen en smoothies. Veel mensen denken dat ze een goede keuze maken door dit soort bewerkt voedsel te eten, maar na drie weken is de maker 3½ kilo aangekomen en heeft hij al leververvetting. Hij heeft stemmingswisselingen, is manisch maar niet gelukkig. Dat komt door wat de fabrikanten van zoetigheden het bliss point noemen: de ‘perfecte zoetbeleving’, die ze als hun heilige graal beschouwen. Maar de beloning is maar van korte duur.
In That Sugar Film wordt duidelijk gesteld dat de voedselgiganten vinden dat consumenten zelf verantwoordelijk zijn voor hun keuzes. Je bent al snel lui of gulzig als je dik bent, en een mislukkeling als je ergens aan verslaafd bent. Maar misschien komt het wel door de bedrijven dat we te dik worden, oppert de documentairemaker. De pas ingevoerde sugar tax in Engeland bewijst dat de schuld inmiddels niet alleen bij de consument wordt gelegd maar dat de oplossingen toch echt ook van hogerhand moet komen, hoe moeilijk dat voor liberalen ook te verteren is: overheden, collectieven en bedrijven zelf moeten zorgen dat bepaalde producten niet gestimuleerd maar geboycot worden, zodat het kopen van een ontbijtje ons niet meer in gewetensnood brengt.

Tony |  | Nederland, 2016 | Regie Benthe Forrer | 80 minuten | Te zien vanaf 14 april

Tomorrow |  | Frankrijk, 2015 | Regie Mela­nie Laurent | 118 minuten | Te zien vanaf 21 april

That Sugar Film |  | Australië, 2015 | Regie Damon Gameau | 94 minuten | Te zien vanaf 19 mei

Filmkrant.Live verzorgt in april een Q&A bij Tony
EYE | Amsterdam
13 april

Recensie – Peter Sloterdijk, De verschrikkelijke kinderen van de nieuwe tijd


Peter Sloterdijks laatste boek vormt een aaneenrijging van historische gebeurtenissen. Ik miste er een, die misschien wel het best zijn punt illustreert. Ik denk aan een voorval op 24 juli 1965. Bob Dylan besloot op het Newport Folk Festival om zijn akoestische gitaar aan de wilgen te hangen en een elektrische set te spelen. Het verhaal gaat dat Pete Seeger, een nestor in de folk scene, met een bijl de kabels van de versterker te lijf wilde gaan om deze verkrachting van de muziek te stoppen. Van dit verhaal klopt weinig. Seeger had geen bijl, en als hij al iets aan de versterking wilde doen had het andere redenen. Dat dit verhaal niet klopt vergroot het belang ervan alleen maar. De legende is nog altijd illustratief voor iets dat daadwerkelijk gebeurde: de muzikale omslag van genres die nog sterk geworteld waren in traditie naar wat we nu pop muziek noemen. Ontworteling is wat Sloterdijk overal om zich heen ziet, en waar dan ook dit boek over gaat. Volgens hem leren we niet meer van de geschiedenis, hebben we gebroken met tradities en nemen we niets van onze ouders aan. Daardoor zijn we verschrikkelijke kinderen geworden. We proberen steeds alles zelf opnieuw uit te vinden.

 

Geschiedenisbril

Sloterdijk zou een waardeloze geschiedenisleraar zijn. Het is dan ook fijn dat hij dat niet is. Zijn historische anekdotes hebben niet meer met elkaar gemeen dan de interpretatie die hij erop legt. Soms zijn die niet overtuigend. Zo suggereert hij dat het idee van het duizend jaar durende Derde Rijk pure fictie was, alleen omdat Himmler er een toespraak over gaf op het moment dat hij er al niet meer in geloofde. Dat is nogal dunnetjes. Vaak weet hij echter uit een beroemde gebeurtenis iets te halen dat je er nog niet in had gezocht, en doet hij je ermee glimlachen. Hij lijkt te zeggen: probeer ook eens met deze bril naar de geschiedenis te kijken.

Dat is wat Michel Foucault, een van zijn leidsmannen, ook deed met zijn geschiedenis van het straffen. We waren lang geneigd te denken dat een overgang van lijfstraffen naar gevangenisstraffen op humanisering duidde. Foucault probeerde te laten zien dat er bij die ontwikkeling ook disciplinering in het straffen sloop. Zoals Nicholas Rose, een van Foucaults commentatoren opmerkte: hij claimde niet dat we na die omslag in gedisciplineerde samenlevingen leven, maar dat de tendens tot disciplinering bestaat. Zo moeten we Sloterdijk ook lezen: het is niet dat geschiedenis en traditie nergens meer een rol heeft, maar dat er een tendens is om meer in het heden te leven.
Verwondering of onbehagen?

Sloterdijk wordt vaak aangevallen op zijn conservatisme, dat inderdaad door al zijn werk heen sijpelt. In zijn Sferen trilogie schreef hij over manieren waarop we de ruimten waarin we leven proberen te beschermen tegen dreigingen van buitenaf. In zijn boek over de mondialisering (Kristalpaleis) keerde hij zich tegen het kosmopolitisme. We moeten ergens wortelen, zegt hij, ‘inwonen’ in een gemeenschap. En, ‘inwonen blijkt nu eenmaal iets te zijn wat ik alleen bij mezelf en de mijnen doen kan, de ander alleen bij zichzelf en de zijnen’, aldus Sloterdijk.

Dat ook onder de verschrikkelijke kinderen een conservatieve basishouding schuilgaat, blijkt al op de eerste pagina. Hij gebruikt de verbanning van Adam en Eva uit het paradijs als argument om te laten zien dat we sinds het begin van onze cultuur al in het ongewisse leven. Dit kun je opvatten als een aanleiding tot verwondering – hoe is die grote wereld buiten het paradijs eigenlijk? – of als het begin van onbehagen – waren we nog maar in dat paradijs. Sloterdijk gaat duidelijk van dat tweede uit. Het leven zonder geschiedenis, traditie en vaderlijke lessen lijkt voor hem op het balanceren op een losliggende evenwichtsbalk. De praktijk is (natuurlijk) niet zo zwart-wit. Bovendien zullen mensen die verwondering als levenshouding hebben, in plaats van onbehagen, het leven in het nu heel anders ervaren.

 

Alleen het heden is er nog

Net zoals Bob Dylan ontbreekt, zo mist ook een prachtig essay van Michel Foucault over een vraag die Immanuel Kant, een van de grondleggers van de moderne filosofie, in 1784 stelde, namelijk: Wat is Verlichting? Volgens Foucault moeten we de boodschap van het historische tijdperk dat we de verlichting noemen begrijpen als: laten we een kritische houding tot het heden aannemen. We moeten nog steeds het verleden begrijpen, maar puur om te snappen waarom we zijn waar we nu zijn. Op die manier gesteld kan het ‘in het heden leven’ ook een kracht zijn, in plaats van een bron van onzekerheid.

Door te sterk de nadruk te leggen op Sloterdijks conservatisme, zoals andere recensenten doen, missen we misschien een wel heel boeiende omdraaiing die hij in dit werk maakt. Naast zijn stelling dat we ontworteld, onhistorisch en vaderloos zijn, zegt hij ook nog eens dat de toekomst onvast is. Hij beschrijft historische events, die we vaak als progressief beschouwen – de Franse en Russische revolutie en het modernisme in de kunst. Verrassend genoeg betoogt hij dat ze allemaal toekomstloos zijn. Vooruitblikken naar een toekomst waarin we zijn ‘vooruitgegaan’ zijn eigenlijk onmogelijk. Zo buigt hij deze ‘progressieve’ ontwikkelingen eigenlijk om tot gebeurtenissen die zich radicaal op het heden richten. Dit is een interessant gezichtspunt dat best tot nadenken aanzet.

 

Oefenen op het nu

Sloterdijks boek lijkt een breuk te vormen met zijn vorige boek, Je moet je leven veranderen, zoals Hans Achterhuis in zijn recensie opmerkt. Het idee dat daar centraal stond, de moderne samenleving als een grote oefenschool, krijgt nu niet veel aandacht. Weg zijn de bespiegelingen over de manier waarop de gedurende de laatste eeuwen gevormde instituties van onderwijs, sport, psychiatrie en zorg een bepaald soort mens proberen op te leiden. Wel creëert het beeld van een ontwortelde, op het heden gerichte samenleving een nieuwe context om over oefening en zelfverbetering na te denken. Als zijn verhaal consistent is, dan moeten de oefensystemen die hij in zijn vorige boek beschreef ons aanleren hoe we steeds alles opnieuw moeten uitvinden, hoe we ons moeten verhouden tot dat heden waarin we leven.

Aan het einde van het boek blijkt dat hij zou willen dat we ons meer zouden richten op de toekomst, vanuit het idee van duurzaamheid van de economie en de omgang met de natuur. In de laatste zin krijgen wij, de verschrikkelijke kinderen, de opdracht mee ons ‘te oefenen in de in onbruik geraakte kunst van het voortduren’.

@Jan-Willem Wieland: denk over consumeren


Jan-Willem Wieland schreef voor De Helling, het politieke bureau van GroenLinks, een mooi betoog over eerlijk consumeren, waarin hij onder meer mijn boek aanhaalde. In het boek stel ik vraagtekens bij de individuele benadering van fairtrade: het idee dat individuele consumenten verantwoordelijk zouden worden gemaakt voor problemen aan de andere kant van de wereld. Ik hanteer de vaker gebruikte metafoor van de supermarkt als stemhokje. Met elke euro in je portemonnee zou je een stem mogen uitbrengen op een ‘goed’ of op een ‘slecht’ product. Wieland vindt dit een karikatuur, en daar heeft hij natuurlijk helemaal gelijk in. Het is een metafoor.

Het gebruik van metaforen kan een verstikkende werking hebben in een discussie, vooral als de aanname is dat de werkelijkheid precies op de metafoor lijkt. Dat probleem heb ik zelf ook aangekaart in een artikel voor het discussieplatform SocialeVraagstukken.nl over het gebruik van Habermas’ termen ‘systeem- en leefwereld’. Bij dit soort metaforen moet je je altijd afvragen of ze niet te veel een eigen leven gaan leiden. Ik had het idee dat dat bij de stemhokjesvergelijking nog wel mee viel. Maar Wieland heeft gelijk als hij zegt dat we daar voorzichtig mee moeten zijn.

Misschien kunnen we het karikaturale van metaforen op een andere manier beter verantwoorden. Wat als we ze opvatten als beelden van maatschappelijke tendensen, in plaats van als een blauwdruk van hoe de samenleving is? De Franse filosoof Michel Foucault kreeg veel kritiek op de manier waarop hij de Panopticum-gevangenis gebruikte als metafoor voor de maatschappij. Het was hem daarbij te doen om de notie van discipline in de moderne tijd. Nikolas Rose, een van zijn bekendste commentatoren, merkte in reactie op die kritiek op: ‘Foucaults disciplinerende samenlevingen waren niet “gedisciplineerde samenlevingen”, maar samenlevingen waarin strategieën en tactieken van discipline actief waren’. Op diezelfde manier zijn onze samenlevingen geen samenlevingen waarin alles een stemhokje is, maar waarin ‘strategieën en tactieken’ bestaan om veel situaties als een stemhokje te beschouwen.

Wieland merkt ook op dat er niet zo veel mis is met het stemhokje in de context van politieke verkiezingen. Mensen gaan immers ook daar stemmen, zonder daarmee de illusie te hebben dat daarmee problemen zullen worden opgelost. Dit is dan misschien precies ook wel de reden voor de kritiek op ons huidige politieke bestel. Er wordt vaak gezegd: democratie zou meer moeten zijn dan (eens in de vier jaar) stemmen. Zo zouden we misschien ook moeten zeggen: eerlijke handel zou meer moeten zijn dan ‘stemmen’ als consument. We kunnen nog veel meer doen, naast consumeren. Wieland suggereert dat het enige alternatief voor het huidige bestel is om alle verantwoordelijkheid bij de consument weg te halen. Dit lijkt me op zijn minst even overdreven als de stemhokjesmetafoor. Er zijn vele rollen die we kunnen overwegen. Een aantal daarvan bespreek ik in mijn boek.

Volgens Wieland is bewust consumeren een manier om als consument aan te geven dat je niet mee doet aan uitbuiting. De Sloveens filosoof Slavoj Žižek zou daarop zeggen: ze doen juist wél mee! Ze participeren in het mondiale kapitalisme, dat in essentie op uitbuiting is gebaseerd. Ze pakken precies de rol die van hen wordt verwacht, namelijk die van scheidsrechter op de wereldmarkt. Dit is het idee van consumentensoevereiniteit, dat consumenten de hoogste autoriteit zijn. Een grote vraag binnen de fairtrade-wereld is: kunnen we een betere wereld verwezenlijken met de structuren die we nu hebben? Daarop heb ik ook niet een-twee-drie een antwoord. Maar het lijkt me wezenlijk dat we daar samen over debatteren en nadenken.

Het is fantastisch dat Jesse Klaver, de nieuwe leider van GroenLinks, kritische vragen stelt bij het economisme van onze tijd. Daarbij past echter ook dat we kanttekeningen plaatsen bij economische oplossingen (consumentisme) voor morele problemen (eerlijke handel). Ik suggereer niet dat we als consument moeten ophouden met denken over wat de goede producten zijn. Wel suggereer ik dat we óók zouden moeten denken over het systeem dat dit denken van ons verwacht.