Het systeem met zoetstof, review van Captain Fantastic


***SPOILER ALERT*** Captain Fantastic (Matt Ross, 2016) gaat over Ben Cash (Viggo Mortensen) die zijn roedel kinderen op licht militaristische wijze tot über-hippie-menschen opvoedt. Ze wonen teruggetrokken in de bossen, tot Bens vrouw zelfmoord pleegt. Haar vader geeft Ben de schuld, en geeft hem te kennen dat hij en de kinderen niet welkom zijn op de begrafenis. Vanzelfsprekend gaan ze toch – met hun hippie bus, Steve genaamd. Captain fantastic is een ‘interessante’ – een woord dat Bens kinderen niet mogen gebruiken, omdat het nietszeggend is – film over helden, wereldverbeteraars en een beetje dialectiek. En over The Man. Met een sausje zoetstof.

Held en wereldverbeteraar

De titel, Captain Fantastic, roept onvermijdelijk het beeld op van een superheldenfilm. Maar, zoals Viggo Mortensen zelf zei in een interview:

There really isn’t a hero. As you go along, you sort of cringe and see some of the things in this character you dislike most — rigidity, authoritarianism.

Mij deed het denken aan een onderscheid dat Larissa MacFarquhar in haar net vertaalde boek Wereldverbeteraars maakt tussen helden en… wereldverbeteraars. Helden zijn volgens haar mensen die inspringen op een crisis in hun directe omgeving. In zekere zin slaat dat op Ben Cash. Het idee om in het bos te gaan wonen kwam voort uit een poging zijn vrouw te helpen omgaan met haar bipolaire stoornis.

Een wereldverbeteraar is heel anders dan een held. Volgens MacFarquhar zijn dat mensen die proberen een ethisch zo voortreffelijk mogelijk leven te leiden. Het zijn vaak bemoeials, die anderen lastig vallen vanaf hun moral high ground. Ethisch voortreffelijk zijn overschaduwt de aandacht voor de directe omgeving. Enerzijds lijkt dat beslist niet van toepassing op Ben. Hij geeft immers meer om zijn gezin dan om wat dan ook. Goed doen is voor hem niet iets abstracts. Anderzijds bekent hij aan het einde van de film dat hij ergens wel wist dat hij zijn vrouw niet op zijn manier kon redden. En toch zette hij door.

Een synthese met zoetstof

Die spanning maakt Ben een interessant karakter. Net zoals hij misschien tegelijk held en wereldverbeteraar is, zo is hij ook tegelijk zachtaardig en totalitair. Is hij nu een soort superdad, of kunnen we hem even goed zien als een geestverwant van de vader in de fantastische documentaire The Wolfpack (Crystal Moselle, 2015), die eerder een soort sekteleider was? Als Bens dochter op een gegeven moment een analyse moet geven van de hoofdpersoon van Nabokovs Lolita, dan realiseer je je dat zij het even goed over Ben zelf had kunnen hebben. Een karakter dat zowel haat als medelijden opwekt.

Die spanning in Bens karakter nodigt uit tot een klein stukje dialectiek. In de meest basale uitleg slaat dat op een spanning tussen twee polen (these en antithese), die door de tijd heen wordt opgelost (synthese). Die twee polen zijn verenigd in het karakter van Ben. Ze zijn immanent aan zijn persoon, ze behoren hem allebei toe. Het is niet zo dat hij de ene pool (these) is, en dat er per se een ander karakter als tegenpool (antithese) nodig is om spanning op te wekken. Natuurlijk maakt een externe tegenpool het allemaal wel wat makkelijk. Daarom is Bens schoonvader er, Jack (Frank Langella). Hij lijkt alles te zijn wat Ben niet is: vertegenwoordiger van het grootkapitaal en van de maatschappelijke orde. Gaandeweg vraag je je af of ze wel zo verschillend zijn.

Als er een dialectisch proces plaatsvindt tussen these en antithese, wat is dan de synthese waarop de film uiteindelijk landt? Aan het eind van de film realiseert Ben dat hij zijn kinderen vreselijk benadeelt met zijn levenswijze. Even lijkt hij ze te verlaten. Jack, daarentegen, ontpopt zich als een amicale Godfather, die de zorg voor de kinderen wel op zich wil nemen. Uiteindelijk komt het niet zo ver. Ben komt tot inkeer. Samen met zijn hele roedel betrekt hij een charmant houten huisje. Ze passen zich aan aan de maatschappelijke orde van Jacks wereld. De kinderen gaan voor het eerst naar een normale school. Braaf doen ze hun huiswerk. Zoals de vriendin met wie ik de film zag scherp opmerkte: ze leren ineens over wilde dieren uit een boekje, en niet meer in het bos. Er is een zachte ochtendzon. Er is warme koffie. Er is zoetstof.

Glue it to the Man

Er zit een fikse dosis jaren ’60 tegencultuur in Bens anarchistische wereldbeeld. Daar zitten twee kanten aan. Enerzijds is er het verzet. Het systeem moet omver. Als Jack de wens van zijn dochter om gecremeerd te worden niet respecteert, komen Ben en de kinderen in opstand. Ze gaan op de missie ‘save mom’. Koste wat kost moet ze niet begraven worden. Power to the People! Stick it to Man!, zoals het jongste dochtertje herhaaldelijk roept.

Anderzijds proberen ze helemaal niet ‘het systeem’ omver te werpen. Ze trekken zich er juist uit terug. Ze gaan off the grid. Ze bedrijven ‘prefiguratieve’ politiek, een onderwerp waar mijn broer zich in zijn onderzoek mee bezig houdt.  Ze zijn de verandering die ze willen zien. Het is een manier om je tot ‘het systeem te verhouden’, zonder het actief omver te werpen.

Na de jaren ’60 verloren systeemcritici terrein aan mensen die benadrukten dat je maar beter kon bedenken hoe je je tot dat systeem moest verhouden. Zoiets zou je bijvoorbeeld ook kunnen zeggen over de verandering die de Franse filosoof Michel Foucault aan het eind van zijn leven doormaakte. In het midden van de jaren ’70 beschreef hij nog op cynische wijze hoe systemen ons achter onze ruggen om probeerden te disciplineren. In de vroege jaren ’80 wende hij zich van de systemen af. Hij legde zich toe op manieren waarop we voor onszelf en anderen kunnen zorgen. Systemen zijn er toch wel, we kunnen maar beter zorgen dat we er niet aan ten onder gaan. Mogelijk spreekt daar dan nog de hoop uit dat het systeem ooit eens zal veranderen, als we allemaal wat beter voor onszelf en anderen zorgen. Maar dat is toch iets anders dan Stick it to the Man!

Tot slot terug naar de synthese. De oplossing die Ben en zijn kinderen lijken te hebben omarmd is om het systeem maar gewoon te accepteren. He used to be a man with a stick in his hand, om met Queen te spreken. Of met Kurt Vile: Well I think by now you probably think I am a puppet to the Man / Well, I’ll tell you right now you best believe that I am / Sometimes I’m stuck in and I think I can unglue it. Zo lang je huis er nog maar een beetje hippie-achtig uitziet, is er niets aan de hand. Het klinkt naar wat wat Herbert Marcuse in 1964 de ‘eendimensionalisering’ van kritiek noemde. Kritiek die gewoon een plaatsje krijgt in het systeem. Dat einde is onbevredigend. Had dat niet anders gekund? Had de regisseur niet een manier kunnen verzinnen waarop ze in het systeem konden leven, zonder het over te nemen? Door op zijn minst hard te lachen om die malle plaatjes van die tijgers in de schoolboeken?

Recensie – Peter Sloterdijk, De verschrikkelijke kinderen van de nieuwe tijd


Peter Sloterdijks laatste boek vormt een aaneenrijging van historische gebeurtenissen. Ik miste er een, die misschien wel het best zijn punt illustreert. Ik denk aan een voorval op 24 juli 1965. Bob Dylan besloot op het Newport Folk Festival om zijn akoestische gitaar aan de wilgen te hangen en een elektrische set te spelen. Het verhaal gaat dat Pete Seeger, een nestor in de folk scene, met een bijl de kabels van de versterker te lijf wilde gaan om deze verkrachting van de muziek te stoppen. Van dit verhaal klopt weinig. Seeger had geen bijl, en als hij al iets aan de versterking wilde doen had het andere redenen. Dat dit verhaal niet klopt vergroot het belang ervan alleen maar. De legende is nog altijd illustratief voor iets dat daadwerkelijk gebeurde: de muzikale omslag van genres die nog sterk geworteld waren in traditie naar wat we nu pop muziek noemen. Ontworteling is wat Sloterdijk overal om zich heen ziet, en waar dan ook dit boek over gaat. Volgens hem leren we niet meer van de geschiedenis, hebben we gebroken met tradities en nemen we niets van onze ouders aan. Daardoor zijn we verschrikkelijke kinderen geworden. We proberen steeds alles zelf opnieuw uit te vinden.

 

Geschiedenisbril

Sloterdijk zou een waardeloze geschiedenisleraar zijn. Het is dan ook fijn dat hij dat niet is. Zijn historische anekdotes hebben niet meer met elkaar gemeen dan de interpretatie die hij erop legt. Soms zijn die niet overtuigend. Zo suggereert hij dat het idee van het duizend jaar durende Derde Rijk pure fictie was, alleen omdat Himmler er een toespraak over gaf op het moment dat hij er al niet meer in geloofde. Dat is nogal dunnetjes. Vaak weet hij echter uit een beroemde gebeurtenis iets te halen dat je er nog niet in had gezocht, en doet hij je ermee glimlachen. Hij lijkt te zeggen: probeer ook eens met deze bril naar de geschiedenis te kijken.

Dat is wat Michel Foucault, een van zijn leidsmannen, ook deed met zijn geschiedenis van het straffen. We waren lang geneigd te denken dat een overgang van lijfstraffen naar gevangenisstraffen op humanisering duidde. Foucault probeerde te laten zien dat er bij die ontwikkeling ook disciplinering in het straffen sloop. Zoals Nicholas Rose, een van Foucaults commentatoren opmerkte: hij claimde niet dat we na die omslag in gedisciplineerde samenlevingen leven, maar dat de tendens tot disciplinering bestaat. Zo moeten we Sloterdijk ook lezen: het is niet dat geschiedenis en traditie nergens meer een rol heeft, maar dat er een tendens is om meer in het heden te leven.
Verwondering of onbehagen?

Sloterdijk wordt vaak aangevallen op zijn conservatisme, dat inderdaad door al zijn werk heen sijpelt. In zijn Sferen trilogie schreef hij over manieren waarop we de ruimten waarin we leven proberen te beschermen tegen dreigingen van buitenaf. In zijn boek over de mondialisering (Kristalpaleis) keerde hij zich tegen het kosmopolitisme. We moeten ergens wortelen, zegt hij, ‘inwonen’ in een gemeenschap. En, ‘inwonen blijkt nu eenmaal iets te zijn wat ik alleen bij mezelf en de mijnen doen kan, de ander alleen bij zichzelf en de zijnen’, aldus Sloterdijk.

Dat ook onder de verschrikkelijke kinderen een conservatieve basishouding schuilgaat, blijkt al op de eerste pagina. Hij gebruikt de verbanning van Adam en Eva uit het paradijs als argument om te laten zien dat we sinds het begin van onze cultuur al in het ongewisse leven. Dit kun je opvatten als een aanleiding tot verwondering – hoe is die grote wereld buiten het paradijs eigenlijk? – of als het begin van onbehagen – waren we nog maar in dat paradijs. Sloterdijk gaat duidelijk van dat tweede uit. Het leven zonder geschiedenis, traditie en vaderlijke lessen lijkt voor hem op het balanceren op een losliggende evenwichtsbalk. De praktijk is (natuurlijk) niet zo zwart-wit. Bovendien zullen mensen die verwondering als levenshouding hebben, in plaats van onbehagen, het leven in het nu heel anders ervaren.

 

Alleen het heden is er nog

Net zoals Bob Dylan ontbreekt, zo mist ook een prachtig essay van Michel Foucault over een vraag die Immanuel Kant, een van de grondleggers van de moderne filosofie, in 1784 stelde, namelijk: Wat is Verlichting? Volgens Foucault moeten we de boodschap van het historische tijdperk dat we de verlichting noemen begrijpen als: laten we een kritische houding tot het heden aannemen. We moeten nog steeds het verleden begrijpen, maar puur om te snappen waarom we zijn waar we nu zijn. Op die manier gesteld kan het ‘in het heden leven’ ook een kracht zijn, in plaats van een bron van onzekerheid.

Door te sterk de nadruk te leggen op Sloterdijks conservatisme, zoals andere recensenten doen, missen we misschien een wel heel boeiende omdraaiing die hij in dit werk maakt. Naast zijn stelling dat we ontworteld, onhistorisch en vaderloos zijn, zegt hij ook nog eens dat de toekomst onvast is. Hij beschrijft historische events, die we vaak als progressief beschouwen – de Franse en Russische revolutie en het modernisme in de kunst. Verrassend genoeg betoogt hij dat ze allemaal toekomstloos zijn. Vooruitblikken naar een toekomst waarin we zijn ‘vooruitgegaan’ zijn eigenlijk onmogelijk. Zo buigt hij deze ‘progressieve’ ontwikkelingen eigenlijk om tot gebeurtenissen die zich radicaal op het heden richten. Dit is een interessant gezichtspunt dat best tot nadenken aanzet.

 

Oefenen op het nu

Sloterdijks boek lijkt een breuk te vormen met zijn vorige boek, Je moet je leven veranderen, zoals Hans Achterhuis in zijn recensie opmerkt. Het idee dat daar centraal stond, de moderne samenleving als een grote oefenschool, krijgt nu niet veel aandacht. Weg zijn de bespiegelingen over de manier waarop de gedurende de laatste eeuwen gevormde instituties van onderwijs, sport, psychiatrie en zorg een bepaald soort mens proberen op te leiden. Wel creëert het beeld van een ontwortelde, op het heden gerichte samenleving een nieuwe context om over oefening en zelfverbetering na te denken. Als zijn verhaal consistent is, dan moeten de oefensystemen die hij in zijn vorige boek beschreef ons aanleren hoe we steeds alles opnieuw moeten uitvinden, hoe we ons moeten verhouden tot dat heden waarin we leven.

Aan het einde van het boek blijkt dat hij zou willen dat we ons meer zouden richten op de toekomst, vanuit het idee van duurzaamheid van de economie en de omgang met de natuur. In de laatste zin krijgen wij, de verschrikkelijke kinderen, de opdracht mee ons ‘te oefenen in de in onbruik geraakte kunst van het voortduren’.

New publication: Constituting the “good patient”


Our paper (with Frans Birrer), Constituting the “good patient“, was published in the proceedings of the 2010 conference of the International Society for the Study of Argumentation (ISSA). Also here, the question is how innovation is related to the subjectivity of the patient, as Michel Foucault would put. The Dutch Personal Healthcare Budget – receiving “cash-for-care” instead of a treatment “in kind” – is presented as a scheme that ought to enhance innovation. By getting patients to control the budget, they are expected to become rational consumers who only spend their money on innovative care providers. This way of reasoning is often criticised. However, the discussion is built up around a large number of arguments, which make up a cluster that is hard to penetrate. Effectively, criticism is often evaded in these types of debates, as we show in the paper. The question is how this relates to political accountability. With respect to the patient, we may wonder if (s)he wil really turn out to be a “good patient”:

‘Is (s)he indeed a cash-supported, rational sovereign, who constantly shuffles elations with care givers and is putting pressure to break rigid healthcare institutions? On the basis of the problems that participants in the policy discussion raised, another image of the patient-subject appears. It could also be an overburdened individual, constantly involved in unequal power relations, suspect in the eyes of government and society, and, therefore, increasingly constrained. This points at an entirely different type of subject, a “problematised subject”, so to say’.

Lecture on the “Subject of innovation”


On November 30, I hold a lecture  at the Insitute of Health Policy & Management at Rotterdam University. This is the first time I provide a somewhat comprehensive overview of my PhD research. Below is a short abstract of the lecture topic.

Innovation in healthcare does not leave the patient untouched. The healthcare reforms of the past decades have partly aimed at giving shape to a new type of patient. For the Netherlands, this is probably best summarised by the Public Health Council’s term “good patientship”. Technology and innovation play an important role in this development. First, it is important to consider which measurements are devised to assess the impact of innovation. It is expected to make both patients and care providers more productive. Second, there are a number of policies to stimulate innovation. I restrict myself to attempts – so-far unsuccessful – to roll out an infrastructure for a national Electronic Health Record. The way in which this infrastructure is devised is not neutral in terms of the relations it would mediate between patients, care providers and other players in the healthcare sector. Third, there are the concrete technologies or applications that such policies are expected to generate, with which patients will interact. These three ways of shaping the patient roughly correspond to what the French philosopher Michel Foucault has referred to as three modes in which people are made subjects: “modes of inquiry”, “dividing practices” and “self-constitution. I use this Foucauldian frame to examine these different aspects of innovation in healthcare. Ultimately, there is not one “subject of innovation”, but many.

Cooking the self


Giving shape to the self is much like a tug-of-war, or a game of arm-wrestling. On one side, there is a team that is composed of representatives of psychiatry, marketing, politics, art and others like them. This team is applauded from the sideline by the tradition to which it belongs. On the other end, there is just you. Does that mean you are outnumbered?

In the 1970s, French philosopher Michel Foucault (1926-1984) suggested it does. His point of view was that we are continuously subjected in power plays with members of the “other team”. In the last years of his life, he started thinking differently. Instead of looking at ways in which people are governed by others, he started examining techniques that people employ to work on governing themselves. Some of this ended up in the third part of his History of Sexuality (1984), which was subtitled The Care of the Self. In an earlier interview, however, Foucault had already said that he started thinking that ‘sex is boring’. Instead, he wanted to study how people give shape to themselves. Because of this, he doubled the length of his weekly lectures to discuss this topic. He never came around to publish this work, which is one of his most interesting contributions. The volume of lectures under the title The Hermeneutics of the Subject is the best place to look for what he was up to.

The 2009 film Julie & Julia (Nora Ephron) is a nice illustration of trying to do things differently. But is it different in the ways of Foucault? In 2002, Julie Powell blogs her way through Julia’s Child’s 1961 cookbook, reporting on how one makes 524 recipes in 365 days. Both women cook up new directions. With 50 years and an ocean in between them, both Julie & Julia are stuck. Julie (Amy Adams) is frustrated by her post-9/11 call centre job (in 2002) and is forced to leave Brooklyn for a crummy apartment in Queens. Julia (Meryl Streep) is living the unsatisfactory life of a public officer’s wife in 1950s Paris.

Tutoring

Julia becomes Julie’s virtual tutor. Julie tells her husband about imaginary discussions that the two of them have while cooking.

Working on yourself does not come naturally, as Foucault shows in his discussions of ancient Greek and Roman texts (The Hermeneutics of the Subject). Even though everyone is challenged to do so, only few will take it up. Foucault refers to our general principle of “universality of appeal and rarity of salvation”, saying that ‘the principle is given to all but few can hear’. Learning to work on yourself requires some planning and organising. You need a tutor, or some sort of schooling to show you how to take care of yourself properly. You need certain “self-techniques”. The ones that Julie learns from her virtual tutor differ from the ones that Foucault discusses. Still, she reflects on what she is and what she wants to be, by mirroring herself in Julia.

Writing

Writing is an example of a self-technique. Both women write to accomplish something. To put it simply: Julia writes and re-writes a 720 page cookbook and Julie writes a year of daily posts. Shaping the self is hard work. Foucault discusses writing as an ascetic practice, just like listening, reading and speaking. In Greek and Roman times, writing was a way of reflecting on the achievements of the day, a way of taking “care of the self”. In the first place, Julie and Julia obviously write about food. At the same time, however, they weave themselves into their work. Julie’s blogs are particularly personal. She reflects on her achievements, on her fears of boning a duck and on the pressure that her project is putting on the relationship with her husband. Her writing becomes confessional, in a sense.

As in my review of Up in the air, technology works as a mediator. The fact that Julia used paper and a noisy typewriter and Julie an interface on a computer with internet connection is not trivial. The differences are too obvious to dwell on for long, so I just give a few examples. Julia could only call herself the author of a book once someone else decided to invest in publishing it in its entirety. Julie was a self-declared author, even though that was only possible because of the pre-configured blogging service that she used. Bloggers and their audience are linked in real-time by the option of leaving immediate comments. The full text of a blog is probably indexed by numerous search engines, and interconnected with other sites through hyperlinks, trackbacks, etc.

Community

Through her blog, Julie builds up quite a network around her project. Apart from receiving daily comments on her posts, journalists start picking up on her increasing popularity. On top of that, her circle of friends is drawn in, by rejoicing in the pleasures of her dinner parties. This shows that working on yourself is not something you do alone. Particularly in Stoic philosophy, friendship is considered indispensible. Again, technology is a mediator here. Julie does not only share her joys and fears over dinner, but in direct contact with anyone who chooses to reply. While the Greeks had communities like the Therapeutae, Julie has her community online.

Politics

For Foucault, the idea of giving shape to yourself has a broader goal. His project has a distinct political orientation, by placing emphasis on the way in which people can resist domination. This brings us back to the tug-of-war that I started off with. On your side, you apply techniques on yourself to get stronger. Tutors and the communities to which you belong shout all sorts of strategies from the bench. On the other side, there are still the representatives of the dominant tradition that try to pull you across the line.

Let me take a quick detour. A few years ago, philosopher Cressida Heyes decided to examine the tension of this rope-pulling game from up close by joining the Weight Watchers. On her side she had a community of fellow dieters, and numerous tutors that taught her the techniques of loosing weight by writing meticulous reports about her developments. She pulled for the sake of deliberate self-transformation. On the other end of the rope, she felt multiple parties pulling. First, there was the blind weight of society that tried to make her body “docile”, lean and fit, like the model of the ideal woman. Added to that, however, was the pressure of feminists that tried to pull her in a third direction, away from obeying to societal expectations. Her article is a brave attempt to report on her experiences.

Can we say the same about Julie & Julia? First of all, this is a feel-good film. Still, there is a lot of politics below the surface. Julia Child is often praised by feminists for the way in which she created a different image of the woman in the kitchen. The style of her tv-personality transformed many a housewife into a self-assured woman that makes joy around a meal. In the film, we get to see how she is the first woman to be accepted to the prestigious Cordon Bleu cooking school.

A nice accent of the film is that the part about Julia does not show the actual, historical figure. What we get to watch is the idealised image of how Julie imagines Julia’s life to be. When it comes to Julie’s own experiences, we also get to see how she is sometimes taken over by the “other team”. While the cooking plan was meant to be for herself, we get to see how she is occasionally absorbed by other motivations: her hopes to get a book deal, the expectations of her readers, to name a few. Sometimes, it seems that the project is taking her over.

Cooking the self is a complex thing to do. A good cookbook seems to be hard to find. Of course, we can always read Foucault.

Presentations at EASST: constituting people


The first days of September, me and my colleagues presented two papers at EASST2010 in Trento, Italy. EASST is the conference of the European Association for the Study of Science and Technology. Both papers dealt with the question how people are “constituted” in society, how they are given a particular role. And a bit about how they constitute themselves. Michel Foucault has written many interesting things about this topic, about which you can read a bit more in the description of my research area.

The paper that I presented (together with Benoît Dutilleul and Frans Birrer) concerned the phenomenon of Living Labs, about which we have published before. Living Labs are local platforms that involve people  in “making what they use”. By now there are 212 of such sites throughout Europe. Internationally, Living Labs are considered a “movement”. Democratisation has never been an outspoken goal, but many have argued that they may contribute to society this way. Nevertheless, they are considered undemocratic by many commentators.  In our paper, we ask what is needed to democratise Living Labs. Our idea is that this would involve re-thinking how we want people to participate, and how people might want to participate themselves. In order to examine this question, we critically examined work by Eric Von Hippel, Andrew Feenberg and what is often called the “Scandinavian tradition” of participatory design. You can have a look at the slides of my presentation below. This was part of a track on “Speculation, Design, Public and Participatory Technoscience: Possibilities and Critical Perspectives”. Alex Wilkie, one of the convenors, provides more information on his blog.

Apart from that, my colleague Frans Birrer presented our other paper about policy changes in Dutch healthcare. This is a continuation of our earlier work on the Dutch electronic health record and the patient-owned personal health budget (persoonsgebonden budget in Dutch). As part of the session ‘The shaping of patient 2.0 – Exploring agencies, technologies and discourse in new healthcare practices’, we tried to establish how patients are constituted by such major changes in policy.

Other than that, EASST was a good conference. The best I have attended so far. Over 800 presentation, many of which very interesting. A conference in Italy. With good lunch. And good coffee. Served by waitors wearing black bow ties. In the mountains.