Interview Down to Earth Magazine


Kun je een betere wereld kopen? Zo heet het eerste boek van filosoof  Wouter Mensink. We gaan ervan uit dat het een oplossing is voor wereldproblemen om als consument je geld aan de juiste producten uit te geven. Maar Mensink neemt dat niet als vanzelfsprekend aan.

Het is bijvoorbeeld al ondoenlijk om als consument volledig geïnformeerd te zijn over al het lijden op afstand in elk product. Is er misschien een betere manier? Mensink neemt ons mee op reis om te onderzoeken wat de relatie is van de consument met een fairtradeproduct, op welke ideeën die gebaseerd is en wat er gebeurt als je door een andere lens kijkt. Per hoofdstuk geeft hij ons een filosoof als reisleider. Met behulp van denkers als Bruno Latour, Luc Boltanski, John Dewey, Michel Foucault en Peter Sloterdijk vormen zich nieuwe ideeën. Consumentencollectieven, debat in de media, wat betekent het om uitbuiting te zien als iets breders dan waar jijzelf je geld aan uitgeeft? Fair trade, kortom, zegt hij, is geen individuele, maar een publieke zaak.

Druk zetten met consumentencollectieven, is dat geen verkapte manier om de verantwoordelijkheid opnieuw bij de consument te leggen?

“’Collectief’ heeft een beetje een vieze bijsmaak, het is niet hip. En mensen denken aan kleinschalige burgerinitiatieven. Wat je nu ziet met de participatiemaatschappij is dat bottom-up-initiatieven soms ontstaan omdat het moet, want instanties laten het afweten, terwijl als mensen het doen terwijl het niet verplicht is, ze daar heel gelukkig van worden. Er is niets mis met bottom-up-initiatieven. Die zijn erg nodig. Maar dat is niet alleen wat ik met ‘collectieven’ bedoel. Ik heb het net zo goed over afspraken tussen supermarktbesturen. En de overheid is, als het goed is, ook een collectieve afspiegeling van ons allemaal. Alle top-down georganiseerde structuren bestaan uit mensen. Er zijn veel manieren om verantwoordelijkheid te nemen; niet alleen in je rol als consument. Het gaat erom dat de discussie de individuele keuze overstijgt, over het publiek maken van de consequenties van bepaalde keuzes.”

Moeten we fair trade eigenlijk wel willen? Of ben je dan het onduurzame systeem van wereldhandel iets minder slecht aan het maken?

“Als je duurzaam wilt consumeren, zijn er veel dingen die elkaar tegenspreken. Wat vind je belangrijker: ontwikkeling stimuleren in het mondiale Zuiden, of CO2-reductie? Laatst zag ik fair trade sinaasappelsap. Daar was ik even verbaasd over. Wat blijkt: die sinaasappels komen van gecertificeerde plantages in Brazilië en Ghana. Maar is dat dan beter dan ‘gewone’ sinaasappelsap waarvoor het fruit gewoon uit Spanje komt? Wat dat betreft vind ik het jammer dat ik geen hoofdstuk heb geschreven aan de hand van ideeën van Slavoj Žižek, de Sloveense filosoof, die pas in de Westerkerk in Amsterdam optrad. Hij heeft het over wat het betekent om niet mee te doen aan een systeem.

Frambozen in de winter is lang nog heel vreemd geweest, omdat ze hier vandaan komen en hier niet groeien in de winter, maar niemand vindt het raar dat we bananen eten of koffie drinken, terwijl die altíjd van de andere kant van de wereldbol komen. Dat we die dingen zo normaal vinden is onlosmakelijk verbonden met het systeem van wereldhandel. We vergeten dat het in de winter dus niet alleen een keus is tussen foute frambozen en fair trade frambozen, maar tussen frambozen en géén frambozen.”

In je boek stel je dat het stoppen van het aanbod ook de vraag stopt. Zou je collectieven aanraden expres zulke keuzes te elimineren?

“Het is in ieder geval een interessante vraag. Moet er altijd keuzevrijheid zijn? Waarom vindt een Autoriteit Consument en Markt dat mensen recht hebben op een keuze tussen goed en slecht? Maar ik weet ook dat als je die keuze elimineert dat leven dan heel veel duurder wordt en dat is weer een nieuw probleem. Onder het fair trade vraagstuk ligt een enorm ongelijkheidsprobleem; de kosten van internationale handel worden altijd afgewenteld op een partij in het handelssysteem: de producent of de consument.”

Als je andere filosofen had gekozen, was er dan een ander idee boven komen drijven?

“Ja, waarschijnlijk wel. Habermas had voor de hand gelegen, Žižek noemde ik al. Ik was zelf voor dit boek ook niet zozeer geïnteresseerd in de oplossing voor uitbuiting, maar om te onderzoeken hoe je je tot een systeem moet verhouden dat op uitbuiting draait. En wat het zou betekenen als iedereen daarover zou nadenken.”

Doen we dat te weinig?

“Ja, dat doen we toch echt verrassend weinig. Mensen willen graag horen hóe ze iets moeten oplossen, maar eerst is het belangrijk over je rol na te denken. Ik wil mensen stimuleren te reflecteren op wat hun relatie is tot een systeem voor ze het proberen te veranderen.”

Video van Shop ‘Till They Drop @De Balie


Kijk het programma Shop ‘Till They Drop terug, over duurzame kleding en mode, in De Balie op 17 juni. Ik gaf een inleiding over de rol van de consument, en de vraag of duurzaamheid een individueel of een publiek probleem zou moeten zijn. Is ‘de consument’ wel autonoom, of eerder een construct? Een ‘koning klant’ – nooit koningin – die gemaakt wordt door tools als keurmerken en apps, consumentenprogramma’s op TV, overheidsprogramma’s als KiesBeter.nl en en instanties als de Autoriteit Consument en Markt?

Mijn verhaal sloot mooi aan op dat van Aynouk Tan, die – in ananaspak – uitlegde hoe ‘modedromen’ bepalen waarom we aantrekken wat we aantrekken. Aan tafel zaten verder Marieke Eyskoot (sustainability expert en eigenaar van expertisebureau Talking Dress), Tinkebell (kunstenaar en schrijver) en Bert van Son (eigenaar Mud Jeans en initiatiefnemer van Lease a Jeans). Andrea van Pol leidde de avond.

Duurzaamheidsweek: Fairtrade Amsterdam, Shop ‘Till They Drop, AmsterdamFM, Mag Het Hicht Aan Festival


Het is een drukke, maar leuke week met veel gelegenheid om over eerlijke handel en duurzaamheid te praten.Een kort overzicht.

16 juni: Fairtrade Amsterdam

De fairtrade gemeenten is een mooi initiatief van ICCO, de Landelijke Vereniging van Wereldwinkels en Stichting Max Havelaar. Dit is een keurmerk dat aangeeft dat in een gemeente winkels, horeca, bedrijven, organisaties, inwoners en de lokale overheid samenwerken aan meer eerlijke handel. Het Fairtrade Town concept is in 2001 ontstaan, uit een burgerinitiatief in het Noord-Engelse dorpje Garstang. In 2014 waren er wereldwijd ruim 1600. In Nederland zijn er vanaf 2009 54 ontstaan, met Amsterdam als recente toevoeging. Natuurlijk wordt bij lange na niet iedereen in zo’n gemeente bereikt, maar de nadruk op gedeelde verantwoordelijkheid en overleg is een wezenlijke aanvulling op het consumentenmodel. In plaats van een keurmerk dat in dividuen responsibiliseert, probeert het mensen mee te nemen in een publiek ontwikkelingsproces. Ik bespreek de fairtrade gemeenten uitgebreid in mijn boek, en in een recent interview in Trouw.

17 juni: Shop ‘Till They Drop in De Balie

Shop 'till They Drop Ik geef een inleiding bij een programma over onze verantwoordelijkheid voor goede kleding. Ik ga het hebben over de verantwoordelijkheid van de individuele consument, en de grenzen daaraan. Ik geef aan, zoals ik het mij boek ook doe, hoe we van duurzaamheid een ‘publiek probleem’ kunnen maken, in plaats van een individueel probleem. Andere sprekers zijn: Marieke Eyskoot (sustainability expert en eigenaar van expertisebureau Talking Dress),  TINKEBELL.  (kunstenaar en schrijver), Bert van Son (eigenaar Mud Jeans en initiatiefnemer van Lease a Jeans) en Anke Bakker (medewerker verkoop en pr Nukuhiva Amsterdam). Daarnaast zal Aynouk Tan (journalist, docent en art director) deze avond laten zien hoe zij met deze vraagstukken omgaat. Andrea van Pol zal het programma modereren.

19 juni: Interview op AmsterdamFM

AmsterdamFMIk word geïnterviewd samen met Fanny de Groot van het Mag het Licht Aan Festival, waarover hieronder meer. Het valt vanaf 1600 te beluisteren op 106.8 (ether) en 103.3 (kabel). Eerder werd ook al Marli Huijer, de nieuwe Denker des Vaderlands geïnterviewd, die ook op het festival zal zijn.

21 juni: Mag het Licht Aan Festival

‘Hèt festival voor idealisten en wereldverbeteraars. Op 21 juni, de langste en lichtste dag van het jaar, denken, doen en dagdromen we samen over de duurzame mens en samenleving. Met inspirerende filosofie, geestverruimende gesprekken, exposities, (h)eerlijk eten, meeslepend theater en vernieuwende muziek’. Ik doe samen met Reine Rek een boodschappenmand check. Maar ja, wat moet je nu precies zeggen over dingen die je in je mandje hebt? Moeten we samen gaan beoordelen welk product beter is dan een ander? Of is de vraag meer wat je als consument überhaupt met dat soort beoordelingen aan moet? Kan de consument eigenlijk wel beoordelen wat hij wel of niet moet kopen? Of moet het mandje gewoon met inhoud en al het nabijgelegen IJ in?

Bewust kiezen kan lastig zijn, interview RD


Door: Geertje Bikker-Otten

Lastig alledaags dilemma. Je staat in de supermarkt voor het koffieschap en dubt welk pak je mee naar huis zult nemen. Kies je, met het oog op de huishoudportemonnee, de goedkoopste variant van het huismerk? Of toch het duurdere pak met een Max Havelaarstempel erop, om zo het povere bestaan van een koffieboer wat te verlichten?

Als je voor het laatste kiest: wordt de wereld daar dan daadwerkelijk een beetje beter van? Ben je als consument verantwoordelijk voor de problemen elders in de wereld?

Tot op zekere hoogte wel, schrijft de filosoof Wouter Mensink in zijn boek Kun je een betere wereld kopen? De consument en het fairtrade-complex (uitg. Boom, 2015, ISBN 9789089534521, €18,50). Maar hij ziet ook een grote rol weggelegd voor een meer collectieve aanpak.  

De realiteit is dat de gemiddelde burger niet de tijd en het geld heeft om steeds maar weer een gedegen afweging te maken. Als hij daar al toe bereid is. Er zijn ook genoeg mensen die zich in ieder geval in de supermarkt niet druk maken over ethische dilemma’s.

Tweedeling

Mensink (1979) vreest weleens dat er wat dat betreft in onze samenleving een soort tweedeling dreigt: de elite die zich bezighoudt met duurzaamheid en eerlijke handel. En de rest van de bevolking die genoegen moet nemen met goedkoop voedsel.

Dat bewust kiezen best lastig is, weet Mensink uit eigen ondervinding. Een tijdje terug was ik op zoek naar een nieuwe jas. In een winkel vond ik er een die me wel aanstond. Maar hij was wel erg goedkoop. Dan vraag ik mij af: Waar is hij eigenlijk gemaakt? In Bangladesh misschien? Hebben er wellicht kinderen aan gewerkt?

In een hoekje van de winkel probeerde hij via een app achtergrondinformatie over het merk op te zoeken. Maar ik kon niets vinden. Toen heb ik de winkelier gevraagd hoe het kan dat die jas zo goedkoop was. Dat viel niet in goede aarde. De winkelier reageerde kwaad, was in zijn wiek geschoten. Ik heb die vraag vast ook niet op de goede toon gesteld.

Grenzen

Als individu loop je al snel tegen grenzen aan, wil Mensink maar zeggen. Je weet vaak niet genoeg om goed te kunnen kiezen. Collectieve acties hebben meer effect, vermoedt hij. En nog belangrijker ze nemen wat weg van de druk die een individuele consument kan ervaren. Mensink denkt bijvoorbeeld aan overheidsinstanties of kerken die kiezen voor eerlijke koffie. En aan een betrekkelijk nieuw verschijnsel: fairtradegemeenten.

Mensink koopt zelf meer en meer biologisch en fairtrade. Ik kies al jaren voor Max Havelaarkoffie. Maar pas een jaar geleden bedacht ik dat ik eigenlijk nooit fairtradethee kocht. Vreemd eigenlijk. Hij beaamt dat hij door deze keuzes vaak duurder uit is. Maar dat hoeft niet altijd zo te zijn. Dat een product fair trade is, is soms ook een reden om het duurder in de markt te zetten. Dat is een kwestie van marketing.

En trouwens: veel producten zijn eigenlijk veel te goedkoop. Fairtradecashewnoten zijn veel duurder dan gewone. Maar er is altijd iemand die daarvoor de prijs betaalt. Dat gewone cashewnoten zo goedkoop zijn, betekent dat dat wordt afgewenteld op de boer. Als je de prijs verhoogt, krijgt de teler waarschijnlijk beter betaald. Maar dan kunnen bepaalde groepen consumenten zich ineens geen cashewnoten meer veroorloven. Er zit een fundamentele ongelijkheid in het probleem van de internationale handel.

Eerlijke prijs

Het basisprincipe van fair trade is dat degene die iets produceert daar een eerlijke prijs voor krijgt. Wat dat betreft gaat er nog altijd veel mis, constateert Mensink. Er zit een factor duizend tussen wat een Ethiopische koffieboer voor zijn bonen krijgt en de prijs die deze bonen in de supermarkt moeten opbrengen. Een factor duizend!

Mensink ziet dat als een signaal dat er fundamenteel iets mis is met de manier waarop de wereldhandel in elkaar zit. Ik besef heel goed dat die enorme ongelijkheid niet wordt opgelost door de keuzes die ik als individu maak. Anderzijds: signalen van consumenten hebben wel tot gevolg dat bedrijven hun beleid aanpassen.

Mijn motief om voor fair trade te kiezen is dat ik niet mee wil doen aan een systeem dat mensen uitbuit. Zelfs al blijkt keer op keer dat er ook binnen de keten die zich met eerlijke handel bezighoudt dingen misgaan. Dat boeren die hiervoor produceren het soms niet veel beter hebben dan collega’s die voor de gewone markt werken. Als je zulke geluiden hoort, moet je niet gelijk de handdoek in de ring gooien. Overschakelen naar een ander systeem vraagt een grote omslag. Je moet accepteren dat dat stukje bij beetje gaat.

Cacao

Mensink constateert dat fair trade sinds de jaren tachtig steeds meer mainstream is geworden. Het is een thema waar ook grote bedrijven zich mee bezighouden. Denk bijvoorbeeld aan cacao en koffie. Op chocoladerepen van Verkade staat bijvoorbeeld dat ze fair trade zijn. De helft van de koffie die in Nederland wordt verkocht heeft het UTZ-certificaat, wat wil zeggen dat boeren er een goede prijs voor hebben gekregen.

Mensink vindt dat enerzijds een goede ontwikkeling. Als grote bedrijven zich hiermee bezighouden, gaat het om enorme marktaandelen. Dat heeft dus veel effect. Anderzijds: het wordt lastiger om de achterliggende motieven te doorgronden.

Wat Mensink ook jammer vindt is dat door de grootschalige aanpak de manier van produceren verandert. In de begintijd van fair trade werd er veel ingekocht bij kleine coöperaties. Je kon dus als het ware aanwijzen uit welke regio of van welke plantage een koffieboon kwam. Grootschaliger productie heeft voor de boeren als nadeel dat ze niet langer `eigenaar’ van het productieproces zijn.

Roken in de trein

De geschiedenis laat zien dat gedrag dat ooit normaal was door een kanteling in het denken opeens onacceptabel kan worden. Misschien is het een utopische gedachte, maar ik hoop dat we over een paar jaar zullen zeggen: Weet je nog dat je vroeger bij de supermarkt ook koffie kon kopen waarvan we wisten dat er mensen voor werden uitgebuit? Zoals we nu zeggen: Weet je nog dat je vroeger in de trein mocht roken? Of in Amerika: Weet je nog dat zwarte mensen niet mochten zitten in de bus? Soms veranderen onze denkbeelden zo ingrijpend dat het bijna niet meer voor te stellen is dat we ooit anders dachten.

Systeem- en leefwereld, deel 2: reactie op Jos van der Lans


Ik schreef een bijdrage voor de website SocialeVraagstukken.nl over het filosofische onderscheid tussen systeem- en leefwereld. Dit onderscheid wordt tegenwoordig vaak aangehaald in het publieke, politieke en ambtelijke debat. Ik haalde in mijn bijdrage het werk van Jos van der Lans aan, die meteen een mooie reactie schreef. Ik ben het grotendeels met hem eens, en vind zijn ‘oplossing’ eigenlijk beter dan de mijne.

Van der Lans erkent dat het onderscheid een hulpmiddel is dat een eigen leven is gaan leiden. Hij voegt toe:

Maar het omgekeerde: de werkelijkheid beschrijven zonder begripsmatige duidingen en abstracties is heden ten dage misschien nog wel een grotere illusie. Het riekt naar wat ik voor het gemak maar even als een naïef soort empirisme betitel: het idee dat je de werkelijkheid zou kunnen beschrijven en dat van daaruit een soort natuurlijk begrip zou opkomen.

Ik ben het met hem eens dat empirisme wat naïef kan zijn. Zoals ik mijn bijdrage ook zei is het illusie te denken dat je als onderzoeker als het ware over een kloof naar de werkelijkheid kijkt. Je staat er middenin. Je moet de werkelijkheid altijd een handje te helpen om zich aan je te tonen. Zelfs als je wilt onderzoeken of water zout bevat moet je ingrijpen, bijvoorbeeld door het te verhitten. Zo verdamp je het water en hou je zout over. Je verandert door het onderzoek dus de werkelijkheid, in dit geval door zout en water te scheiden.

Toch kun je denk ik verder komen met beschrijvingen dan Van der Lans suggereert. De filosoof Bruno Latour, die ik aanhaal in mijn bijdrage, zegt, bewust polemisch: als je na een beschrijving nog altijd een verklaring nodig hebt, dan was het een slechte beschrijving. Misschien is dat te kort door de bocht. Wel moet je ervoor waken om niet een verklaring aan de werkelijkheid ‘op te leggen’. Van der Lans lijkt die bezorgdheid te delen, waar hij zegt dat je nieuwe begrippen moet zoeken als je oude begrippen de werkelijkheid geweld aan doen. Je kunt nog meer doen dan dat: in je beschrijving kun je ook de ingrepen meenemen die je als onderzoeker doet. Wat dat betreft kunnen we nog veel van antropologen leren.

Een belangrijke vraag is dan wat voor soort begrippen je gaat gebruiken. Van der Lans suggereert dat het begrip ‘netwerk’ waarmee Latour komt aanzetten in feite ook een abstracties is, net zoals ‘systeemwereld’ en ‘leefwereld’. Dat is zeker waar. In zekere zin zijn alle begrippen abstracties. Van der Lans zegt zelf al dat sommige begrippen de werkelijkheid geweld aandoen, maar de Sloveense filosoof Slavoj Žižek gaat zelfs een stap verder. Hij noemt taal überhaupt ‘gewelddadig’, omdat een enkel woord altijd een sterke versimpeling is van hetgeen waarnaar het verwijst (een appel is echt niet perfect rond). We kunnen dan alleen maar proberen om begrippen te zoeken die zo min mogelijk ingrijpen in wat we bestuderen. Vaak kunnen we heel goed uit de voeten met de begrippen die de mensen die we onderzoeken zelf gebruiken.

In mijn bijdrage stelde ik voor om de begrippen ‘systeemwereld’ en ‘leefwereld’ maar niet meer te gebruiken, omdat ze alleen maar de nadruk vestigen op de kloof tussen ambtenaren, professionals en burgers. Door een kloof steeds maar te benadrukken loop je het risico dat hij alsmaar breder wordt. Maar Van der Lans stelt terecht dat het ook geen oplossing is om er dan maar niet meer over te praten. Of we de kloof nu zelf gemaakt hebben of niet, hij bestaat in zekere zin. Als je een kuil graaft en je wilt dat mensen er niet invallen, dan kun je er maar beter een hek omheen zetten. Erg duurzaam is die oplossing echter niet. Van der Lans heeft een mooiere suggestie. Hij zegt:

je ontmaskerd [begrippen en abstracties] niet door ze weg te gummen, maar door zorgvuldig en precies te analyseren, waarom ze kennelijk voor grote groepen mensen tot de verbeelding spreken.

Daarmee kom je in de buurt van wat ook wel een ideeëngeschiedenis heet. Ik sluit me hier graag bij aan: laten we goed analyseren hoe we ertoe gekomen zijn te denken dat er een kloof bestaat tussen burgers en overheid. Daarvoor zouden we wel eens ver terug de tijd in moeten gaan, tot het begin van wat we de ‘moderne tijd’ zijn gaan noemen. Als we er eenmaal uit zijn, dan kunnen we onze begrippen misschien ombuigen tot andere, die minder ingrijpend zijn.

Systeem- en leefwereld: hoe de kloof te dichten (artikel op socialevraagstukken.nl)


123AAlogoOospronkelijk artikel op SocialeVraagstukken.nl

Een curieus verschijnsel: een aanzienlijk deel van de maatschappelijke en ambtelijke sector gaat aan de haal met een filosofisch concept, namelijk het onderscheid tussen systeemwereld en leefwereld. Jos van der Lans en anderen doen er goed aan minder over die kloof te praten.

De classificatie in systeemwereld en leefwereld, gepopulariseerd door de Duitse filosoof Jürgen Habermas (1987) in de jaren ‘80, heeft haar weg gevonden naar lokale beleidsplannen en pamfletten om de verhouding tussen burgers, overheid en professionals te duiden en opnieuw in te richten. Cultuurpsycholoog Jos van der Lans is een van de wegbereiders. Peel en Maas is een voorbeeld van een gemeente die een lans breekt voor de terminologie in de lokale context (Schmitz 2013; Schmitz et al. 2009).

Op zich is filosofische bespiegeling op de dagelijkse praktijk nastrevenswaardig. Er zijn echter drie problemen met de classificatie en de manier waarop die gebruikt wordt. Ten eerste wordt hij op verschillende manieren gebruikt, wat leidt tot verwarring: wat is nu eigenlijk het probleem? Ten tweede klopt de opdeling in twee werelden niet helemaal. Ten derde bestaat het gevaar van een selffulfilling prophecy: het idee dat we ons gaan gedragen alsof de tweedeling wel zou bestaan.

Habermas betoogt het tegenovergestelde van Van der Lans

Onder de titel Loslaten, vertrouwen, verbinden doet Jos van der Lans (2011) verslag van een serie workshops over het thema Binding. Hij beschrijft onder andere een sessie die uitmondt in een flap-over met twee rijtjes woorden erop. Aan de ene kant staan zaken die met de overheid en professionele instellingen verband houden, en aan de andere kant zaken die met burgers verband houden. Voor Van der Lans is dit het onderscheid tussen systeem- en leefwereld. Hij omschrijft onderscheid dit als volgt:

‘De systeemwereld is alles wat mensen ontwikkeld hebben aan instellingen en structuren op gebieden als economie, politiek, onderwijs, wetenschap, overheid, gezondheidszorg, verzorgingsstaat enz. enz. Dus een buitengewoon ongelijksoortige verzameling van systemen en subsystemen. De leefwereld is het ervaringsdomein, waarin mensen met elkaar omgaan in en buiten de systemen’ (van der Lans 2010: 46)

Dit komt nog redelijk overeen met hoe Habermas (1987) de twee werelden beschreef. Van der Lans wijkt echter af van diens ideeën af als het gaat om de verhouding tussen die twee werelden. Van der Lans betoogt ‘dat die twee sferen uit elkaar drijven, geen betekenisvolle overlap meer vertonen en elkaar dwars zitten’ (2011: 56). De systeemwereld is volgens hem ‘losgezongen’ van de leefwereld (2011: 75). Hoewel Habermas het eens zou zijn dat de sferen vanuit een andere logica opereren is het probleem dat hij signaleert nagenoeg het tegenovergestelde. Habermas spreekt over een ‘kolonisatie van de leefwereld’. De gemeente Peel en Maas neemt die analyse over (Schmitz 2013; Schmitz et al. 2009).

Het is nogal iets anders: een systeemwereld die is ‘losgezongen’ van de leefwereld of een systeemwereld die de leefwereld ‘koloniseert’. Kort door de bocht gezegd suggereert het eerste dat ambtenaren en professionals niet meer met burgers kunnen praten doordat ze uit andere werelden komen. Het tweede suggereert dat burgers net zo gaan praten als ambtenaren en professionals, als gevolg van de kolonisatie.

Beide implicaties zijn vermoedelijk onwenselijk. Maar ze leiden wel tot verschillende ‘oplossingen’. Van der Lans suggereert dat professionals zich juist weer moeten gaan manifesteren in de leefwereld van burgers, manifesteren zonder te koloniseren zou je kunnen zeggen. Hij noemt dit een ‘modern paternalisme’ (Kuypers en van der Lans 1994; Van der Lans et al. 2003). De wijkteams, waarover nu veel wordt gesproken, ziet hij als een voorbeeld hiervan (Hilhorst en Van der Lans 2015). Peel en Maas begint, in de geest van Habermas, andersom, en gaat uit van zelfsturende gemeenschappen, waarop professionals hooguit kunnen aanhaken.

Waarom denken we in tweedelingen?

Van der Lans geeft meteen toe dat een tweedeling van werelden een kunstmatig onderscheid is. Toch zou het verhelderend, omdat het zou laten zien dat de sferen uit elkaar drijven. Dat is een cirkelredenering. Van der Lans zegt in feite: als we uitgaan van dit onderscheid zien we dat het onderscheid er is en groter wordt. Zijn punt is vermoedelijk dat een dergelijke schematische weergave van de werkelijkheid ons kan helpen om bepaalde grote lijnen te begrijpen. Op zich is dat een valide argument. Het is een bepaalde manier om door conceptualisering orde aan te brengen in de chaos. In die zin is het onderscheid van Habermas zeker verhelderend.

Hoe zijn we ertoe gekomen om zo in tweedelingen te denken? De Franse filosoof en antropoloog Bruno Latour zou waarschijnlijk opmerken dat dit een manier van denken is die typisch past in de moderne tijd. Die begon grofweg in de 16e eeuw. Men is het er niet over eens of we nu nog steeds in dit tijdperk leven, of dat we inmiddels ‘postmodern’ zijn. Wel is men het erover eens dat classificatie, of het maken van onderscheid typisch een onderdeel van het moderne denken is. Het meest extreme voorbeeld is dat van het onderscheid tussen de onderzoeker en zijn object van onderzoek. De onderzoeker wordt voorgesteld als iemand die als het ware over een kloof naar de wereld kijkt, zonder er zelf iets mee te maken te hebben. Het onderscheid tussen systeemwereld en leefwereld is ook zo’n kloof. En die kloof is zo breed dat er aan weerszijden een verschillende logica is ontstaan. Op de flap-over van Van der Lans uit die kloof zich in de witte ruimte tussen de twee rijtjes woorden.

Een consequentie van het moderne denken is dat we daarmee in de inrichting van de samenleving daadwerkelijk dit soort kloven aanbrengen – denk ook aan rolpatronen, en de scheiding tussen het westen en de rest van de wereld – om vervolgens te verzinnen hoe we die kunnen overbruggen. De onderzoeker krijgt methoden en technieken aangereikt om toch iets te kunnen zeggen over objecten aan de andere kant van de kloof. En Van der Lans is erop uit te onderzoeken hoe we die kloof tussen systeem- en leefwereld kunnen dichten. Het ironische is volgens Latour dat wie die kloven zelf gemaakt hebben, al doen we heel erg alsof die van nature bestaan. Een titel van een van zijn boeken is dan ook: ‘We zijn nooit modern geweest’ (Latour 1993). We doen maar alsof; we denken niet van nature op de manier die ik hierboven als ‘modern’ beschreef. Modern zijn is een constructie, die we ook weer uit elkaar zouden kunnen halen.

In plaats van algemene dichotomieën: praktijken beschrijven

Wat zou er gebeuren als we er niet bij voorbaat van uit zouden gaan dat professionals en ambtenaren zich in een andere wereld begeven dan de rest van het land? Hoe zouden we dan moeten onderzoeken hoe die zich tot elkaar verhouden? Latour zou zeggen dat we om te beginnen moeten ophouden te denken in algemene, vage termen als ‘systemen’, ‘waarden’ en ‘bureaucratie’. Laten we eens heel praktisch beschrijven hoe ambtenaren, professionals en burgers zich tot elkaar verhouden. Waar spreken ze elkaar? Zijn er plekken waar ze regelmatig samenkomen? Wat voor afspraken maken ze, en hoe leggen ze die vast? Op die manier te kijken hoe dit soort actoren onderling netwerken vormen, of juist netwerkvorming afhouden, is onderdeel van wat Latour met een aantal andere denkers actor-network theory heeft genoemd (zie bijv. Latour 2005). Ongetwijfeld kom je dan ook voorbeelden tegen van professionals die burgers in een bepaald stramien proberen te duwen, of overlegmomenten waarop mensen inderdaad verschillende talen spreken. Maar dan is de insteek om precies te beschrijven waaraan dat nu ligt, in plaats van in algemene dichotomieën te vervallen.

De tweedeling gedicht: ophouden er zoveel over te praten

Stel dat Habermas en Van der Lans allebei gelijk hebben. Stel dat professionele instellingen en de overheid inderdaad volgens een andere logica opereren dan burgers. Of ze nu ‘losgezongen’ zijn van elkaar, of dat de een de ander ‘koloniseert’, we vinden zo’n taalverschil niet wenselijk. Stel nou verder nog eens dat óók Latour gelijk heeft, en dat dat verschil in logica en taal het gevolg is van een kloof die we zelf gemaakt hebben. Als dat het geval is, is het praten in termen van kloven een selffulfilling prophecy. Als we de kloof die we hebben gemaakt zouden willen dichten, dan zou een goed begin zijn om op te houden er zoveel over te praten.

Wouter Mensink is onderzoeker bij het Sociaal en Cultureel Planbureau

 

Habermas, J. (1987). The theory of communicative action, volume 2: the critique of functionalist reason. In: Polity, Cambridge, UK.
Hilhorst, P. en J. Van der Lans (2015). Nabij is beter. Essays over de beloften van de 3 decentralisaties. Den Haag: Kwaliteitsinstituut Nederlandse Gemeenten.
Kuypers, P. en J. van der Lans (1994). Naar een modern paternalisme: over de noodzaak van sociaal beleid: pamflet: De Balie. (Herdruk uit: Not in File).
Latour, B. (1993). We have never been modern: Harvard Univ Pr.
Latour, B. (2005). Reassembling the social: an introduction to actor-network-theory: Oxford University Press, USA.
Schmitz, G. (2013). Praten met elkaar en met de overheid. Essay over de communicatieve route naar vitale gemeenschappen. Peel en Maas: Gemeente Peel en Maas.
Schmitz, G., W. Van der Coelen, K. Ahaus, A. Hersevoort en A. Van de Wetering (2009). De ontwikkeling van een zelfsturende en vitale gemeenschap. Het brondocument. Helden: Gemeente Peel en Maas.
Lans, J., van der (2010). Eropaf! De nieuwe start van het sociaal werk. Amsterdam: Augustus.
Lans, J., van der (2011). Loslaten, vertrouwen, verbinden. Over burgers & binding. Verslag van een startconferentie en 8 workshops. Amsterdam: Stichting DOEN.
Lans, J., van der, N. Medema en M. Räkers (2003). Bemoeien werkt. Naar een pragmatisch paternalisme in de sociale sector. Amsterdam: Uitgeverij De Balie.

@Roland Waardenburg


Roland Waardenburg schreef een mooie inhoudelijk reactie op het interview dat de Trouw met me afnam (geplaatst op 11 april 2015). Ik heb alleen het idee dat ik een ander punt probeerde te maken dan wat hij in zijn reactie beschrijft.

Waardenburg schrijft dat ik suggereer dat we met collectief koopgedrag de wereld kunnen veranderen. Tot op zekere hoogte is dat denk ik waar. Toen Nico Roozen en Frans van der Hoff eind jaren ’80 Max Havelaar oprichtten slaagden ze er aanvankelijk niet in Albert Heijn te overtuigen de nieuwe koffie in het assortiment op te nemen. Een consumentcollectief slaagde er wel in, door massaal om de koffie te vragen. Een voorbeeld van hoe de wereld een beetje veranderde.

Toch is dat niet mijn voornaamste punt. Ik denk inderdaad dat we met collectief gedrag de wereld kunnen verbeteren, maar niet perse met collectief koopgedrag. In mijn boek stel ik juist dat we naar een meer politieke benadering van fairtrade zouden moeten, die de huidige marktgerichte benadering aanvult.

Als ik het heb over collectieven, of publieken, dan denk ik niet uitsluitend aan groepen consumenten. Ik denk bijvoorbeeld ook aan het fairtrade gemeenten initiatief, dat consumenten, overheden en ondernemers combineert. Een fairtrade gemeente is een gemeente waarin winkels, horeca, bedrijven, organisaties, inwoners en de lokale overheid samen werken aan meer eerlijke handel.

Op zich heeft Waardenburg gelijk dat een publiek bestaat uit mensen die persoonlijk geraakt worden door een bepaald fenomeen. Dit is in ieder geval hoe de Amerikaanse filosoof John Dewey de term definieert. Toch hoeft dat niet te betekenen dat mensen pas iets gaan doen als ze lijfelijk of financieel benadeeld worden. In mijn boek bespreek ik allerlei voorbeelden van collectieven die mensen vormen omdat ze ethisch geraakt worden. Studenten die actie ondernemen als ze ontdekken dat de officiële kleding van hun universiteit door onethische bedrijven wordt gemaakt. Of een conglomeraat van filmfestivals, bloggers, parlementsleden en supermarktdirecteuren in Zweden dat een lokale filmmaker ondersteunt die door bananenfabrikant Dole wordt aangeklaagd.

Het doel van dit soort collectieve acties kan precies zijn wat Waardenburg suggereert: ‘guilt marketing’ terugdringen. Dit is bij uitsteek de inzet van mijn boek, dus wat dat betreft zijn we het volledig met elkaar eens! Collectieven van consumenten, overheden en bedrijven zijn nodig om te tonen dat de markt vanuit dit principe is ingericht. Opdat de consument, individueel noch collectief, uiteindelijk geen keuze meer hoeft te maken. Dit is ook wat een bijschrift in de Trouw suggereert: ‘Ik hoop dat we ooit zeggen: weet je nog dat je bij de supermarkt koffie kon kopen waar mensen voor werden uitgebuit?’

In mijn boek had ik iets meer ruimte om mijn betoog uit te werken dan in het interview. Ik hoop dat ik daarmee dit soort vragen wat breder kan beantwoorden. En natuurlijk door dit soort scherpe reacties! Die zijn meer dan welkom.

Fairtrade is geen individueel, maar een publiek probleem, interview Trouw 11 april 2015


Co Welgraven − 12/04/15, 13:21, Lees op Trouw.nl
© Patrick Post.

Met je koopgedrag kun je zelf voor een betere wereld zorgen, heet het. Maar in je eentje keuzes maken is niet zo simpel. Collectieven vormen en samen druk zetten werkt veel beter, betoogt filosoof Wouter Mensink.

De jas die Wouter Mensink in de winkel zag hangen was mooi, maar ook verdacht goedkoop. Waar zou-ie vandaan komen? Hopelijk toch niet uit een lagelonenland waar werknemers uitgebuit worden.

Mensink raadpleegde de merkenchecker op z’n smartphone, maar die gaf geen uitsluitsel. “Toen vroeg ik aan de winkelier waarom die jas zo goedkoop was. Die reageerde nogal boos, hij voelde zich door mij in het verdachtenbankje geplaatst. ‘Vraag dat bij H&M, maar niet bij mij’, zei hij geïrriteerd. Het was een vervelende situatie. En ik werd weer eens met m’n neus op de feiten gedrukt: het is voor individuele consumenten bijna onmogelijk te achterhalen waar een bepaald product vandaan komt. We hebben de tijd en de kennis niet.”

Maar u probeert het wel voortdurend?
“Ja, ik heb een paar apps op m’n telefoon. Pas liep ik met m’n moeder door de supermarkt en tot haar verbazing duurde dat bezoek een stuk langer dan ze gewend is. Ik bleef maar dingen opzoeken: een heel gedoe, al heb je tegenwoordig apps waarmee je streepjescodes kunt scannen. Toch kun je er lang niet altijd achter komen wat de herkomst is. Ja, bij een pak koffie met het keurmerk van Max Havelaar weet je dat het fairtrade is. Maar koffie van het huismerk, is die ook duurzaam?”

Een consument kan in zijn eentje niet bepalen of iets fairtrade is, zeker als producten geen keurmerk hebben?
“Inderdaad. Terwijl jou als consument juist wordt aangepraat dat dat wél zo is, dat je kunt shoppen voor een betere wereld – dat zijn van die handige marketingslogans. Daarmee krijgt de consument ook meteen de verantwoordelijkheid in z’n schoenen geschoven voor de problemen aan het andere eind van de wereld, dat hij die kan oplossen door zijn koopgedrag. Consumentensoevereiniteit heet dat dan.

Omgekeerd: als de consument er niet om vraagt, hoeven bedrijven ook geen duurzame producten op de markt te brengen.

Maar de redenering klopt niet, zo overvraag je de consument, hij kan niet alles overzien en steeds een weloverwogen keus maken, de wereld zit ingewikkeld in elkaar.”

U wilt dat consumenten collectief optreden.
“Ik noem dat ‘publiek maken’. Je ziet overal initiatieven om zaken samen op te pakken, in plaats van het in je eentje te doen. Kijk naar zorgcoöperaties: de overheid trekt zich terug, voorzieningen verschralen, mensen raken op zichzelf aangewezen, gaan zich organiseren en richten een zorgcoöperatie op. Datzelfde gebeurt in de energiesector.

Zoiets zou je ook met fairtrade en duurzaamheid kunnen doen: bewoners overleggen met winkeliers in hun buurt, oefenen druk uit op supermarkten om meer fairtradeproducten in hun assortiment op te nemen, bekijken samen of het wel zo’n goed idee is, die spotgoedkope kledingketen Primark in de wijk. Ze kunnen hun stad overhalen fairtradegemeente te worden, een titel die betekent dat winkels, horeca, bedrijven, organisaties en inwoners met de lokale overheid samenwerken aan meer eerlijke handel. Daarvan komen er gelukkig steeds meer, onlangs is Amsterdam er nog bij gekomen. Studenten en scholieren kunnen op universiteit en school initiatief nemen, werknemers op hun werk.”

© Patrick Post.

Moet het dan alleen over fairtrade gaan, of ook over biologische, ecologische of streekproducten – de lijst van duurzaamheid is lang.
“Dat is waar. Er zijn veel dilemma’s: moet ik spullen bij mij om de hoek vandaan kopen, waarvoor geen lange, energievretende vliegreis nodig is; of die uit Latijns-Amerika of Afrika, wat wel kerosine kost maar waarbij je de bevolking daar helpt? Die afwegingen kun je niet als individuele consument maken, daarvoor is het probleem te veelomvattend.

Misschien kun je met mensen uit je buurt of je werk er wel voor zorgen dat de groentewinkel in de wijk ‘s winters geen frambozen meer uitstalt. Dertig jaar geleden keken we raar op bij frambozen in december. Door ze niet aan te bieden, neemt ook de behoefte af.”

Waar moeten al die discussies plaatsvinden?
“Overal, in het buurtcafé, het wijkcentrum, op de sociale media, noem maar op. Ook kranten kunnen hierbij een rol spelen: de plofkip werd door de pers ineens inzet van een enorme maatschappelijke discussie. Je leest in de krant ook vaak leuke ideeën, zoals: geef juist niet-duurzame producten een keurmerk, dus precies het omgekeerde van wat er nu gebeurt.”

U haalt filosofen en denkers van naam en faam aan om uw betoog kracht bij te zetten.
“Discussies tussen filosofen helpen je je eigen ideeën te analyseren. Zo maant Nietzsche ons niet vanuit een slecht geweten dingen te doen. Hij zou vinden dat we geen fairtrade koffie uit Indonesië moeten kopen om ons schuldgevoel over ons koloniale verleden af te kopen.

De Franse denker Michel Foucault lijkt zich hierbij aan te sluiten als hij zegt ‘Alles is verloren als je begint met de zorg voor anderen’. Je moet beginnen om goed voor jezelf te zorgen.

Dat klinkt egoïstisch, maar dat is het niet. Als je echt voor jezelf zorgt, ontdek je onvermijdelijk dat je leven verbonden is met dat van anderen. Je handelt niet vanuit een slecht geweten, maar vanuit de gewaarwording dat je acties consequenties hebben.”

U ruimt een heel hoofdstuk in voor Peter Sloterdijk. Wat heeft deze Duitse cultuurfilosoof te maken met fairtrade?
“Hij werkt een punt uit waaraan Foucault door zijn dood niet meer toekwam: niet alleen individuen moeten voor zichzelf zorgen, maar ook groepen mensen, of zelfs hele samenlevingen. Sloterdijk laat zien hoe groepen mensen de plaats waar ze wonen of werken proberen te beschermen tegen dreigingen van buitenaf.

In mijn boek bespreek ik het voorbeeld van een universiteit in de Amerikaanse staat Montana waar studenten zich collectief verzetten tegen de niet zo ethische onderneming Nike. Die fabrikant produceerde tot dan toe de befaamde college-sweater met het universiteitslogo. De studenten, die zich realiseerden dat die kleding verbonden was met het leven van mensen aan de andere kant van de wereld, dwongen de universiteit te kiezen voor leveranciers die wel aan ethische eisen voldeden. Dat voorbeeld breidde zich uit naar andere Amerikaanse universiteiten, het werd een heel netwerk. Zonder Sloterdijk was ik er niet opgekomen om zulke voorbeelden te zoeken.”

Duurzaam is vooral duur, en daardoor elitair. Van Volkskrant-columniste Sylvia Witteman is het bon mot dat je bij de duurzame supermarkt Marqt voor 100 euro boodschappen aan één vinger naar huis kunt dragen.
“Fairtrade dreigt inderdaad elitair te worden. Dat is vreselijk. Marqt zegt dat ze graag afwil van dat elitaire stempel. De vraag is natuurlijk hoe. Aan de ene kant zijn veel niet-duurzame producten simpelweg te goedkoop omdat ze gemaakt worden door fabrieksarbeiders in bijvoorbeeld Bangladesh, die tegen een hongerloon veel te lange dagen maken in onveilige gebouwen. Daarnaast misbruiken sommige producenten de etiketten duurzaam, fairtrade, ecologisch of biologisch om de prijzen flink op te schroeven. Fairtradeproducten hoeven niet duurder te zijn, maar ik geef toe: dat zijn ze vaak wel.”

Voor veel mensen geeft de portemonnee de doorslag, en dan komen ze uit bij de Aldi. U roeit met uw pleidooi tegen de stroom op.
“De afgelopen jaren was het klimaat niet gunstig. Door de crisis gingen de consumenten extra op hun uitgaven letten, ze hadden minder te besteden. Maar we zijn bezig uit het dal te klimmen. Met mijn boek wil ik mensen niet vertellen naar welke winkel ze moeten gaan en wat ze daar moeten kopen, dat doen marketeers al.”

Welk doel wilt u er wel mee bereiken?
“Ik wil laten zien dat fairtrade geen individueel, maar een publiek probleem zou moeten zijn. Ik wil consumenten laten inzien dat ze te veel verantwoordelijkheid opgedrongen krijgen, en dat ze zich in collectieven moeten gaan organiseren.”

Uw ideaal is supermarktketens met alleen maar verantwoorde, eerlijke producten.
“Dat zou de keuzestress aanzienlijk verminderen. Je hoeft dan niet meer te kiezen tussen Max Havelaar en het huismerk, en je hoeft niet meer te aarzelen tussen de Wereldwinkel, de biologische winkel en de markt met streekproducten – alles is in één winkel te koop.

Ik hoop nog mee te maken dat we tegen elkaar zeggen: ‘Weet je nog dat je bij de supermarkt ook koffie kon kopen waarvan je wist dat mensen ervoor werden uitgebuit?’ Zoals we nu wel eens aan elkaar vragen of we ons nog kunnen herinneren dat je in treinen rookcoupés had, en in restaurants mocht roken.”

Dat zullen de Wereldwinkels leuk vinden.
“Het doel van de Wereldwinkels is niet om zoveel mogelijk mensen over de vloer te krijgen; hun doel is te zorgen voor meer eerlijke productie en consumptie. Van veel sociale bewegingen is het uiteindelijke doel zichzelf op te heffen wegens bereikt resultaat.”

Gaat het ervan komen, die supermarktketen met alleen maar eerlijke producten?
“Ik ben bang van niet. Maar het gevoel dat je het eindstation nooit bereikt wil niet zeggen dat je daarom niet moet proberen er dichterbij te komen. En dat zullen we zeker doen, dichterbij komen.”

Kun je een betere wereld kopen, zoals de titel van uw boek luidt?
“Nee, maar de manier waarop we kopen in de wereld kunnen we wel verbeteren.”

Van consumentenberechting tot woekerproduct, opiniestuk Volkskrant 6 maart


Sinds vorige week is het er: het nieuwe woord voor alle producten die niet door onze morele beugels kunnen. Of het nu gaat om niet eerlijk betaalde rijst, door kinderen gemaakte T-shirts of om meubels van waaibomenhout, het zijn allemaal… woekerproducten. Duizenden Nederlanders deden mee aan de prijsvraag om een naam te verzinnen voor een keurmerk – of ‘treurmerk’ – voor al die producten die supermarkten schaamteloos in hun schappen blijven leggen. We hadden al keurmerken die producten die ‘eerlijk’ of ‘duurzaam’ zijn onderscheiden van ‘normale’ producten. Maar, zo vroeg initiatiefnemer Gustaaf Haan zich af: moet het niet juist andersom? Moet duurzaam niet het nieuwe normaal zijn?

Wie is er verantwoordelijk?

Het initiatief van Haan roept vragen op over de manier waarop we over duurzaamheid en fairtrade denken: ligt de verantwoordelijkheid bij de producent, de winkelier of bij de consument? Jarenlang is de consument een moreel complex aangepraat. Door bepaalde producten te kopen, draagt hij bij aan een betere wereld, terwijl de aanschaf van andere producten bepaalde misstanden in stand zou houden. Er zijn echter vraagtekens te stellen bij dit model van consumentensoevereiniteit. Acties van de afgelopen jaren die vergelijkbaar zijn met die van Haan laten zien dat er behoorlijk wat veranderd is in ons denken over dit soort verantwoordelijkheidsvragen. Daarom een terugblik.

2004: Teun van de Keuken, destijds redacteur van het programma Keuringsdienst van Waarde, wilde zich laten arresteren voor het eten van zeventien repen chocola. De chocola zou geproduceerd zijn door kindslaven, en daar voelde hij zich niet lekker bij. Hij vond zichzelf als consument schuldig aan heling: het verwerven van een goed, waarvan duidelijk is dat het afkomstig is van een misdrijf. Zijn boodschap was duidelijk: de consument moest zijn verantwoordelijkheid nemen. De politie nam zijn aangifte echter niet serieus en geen rechter wilde hem vervolgen.

2014: Van de Keuken probeert de verantwoordelijkheid bij de producent neer te leggen. Hij heeft inmiddels het ‘slaafvrije’ chocolademerk Tony’s Chocolonely op de markt gebracht. Daardoor weet hij als geen ander hoe moeilijk het is om als producent waar te maken wat het stempel op je verpakking suggereert. Maar dan neemt Van de Keuken toch maar weer een voorbeeld aan de slager bij hem op de hoek, die ook weet waar hij zijn mosterd haalt. Voor een kleine slager is dat al lastig, voor bedrijven die hun ingrediënten van de andere kant van de hele wereld halen is het nog lastiger. ‘Hun probleem, zou ik zeggen’, aldus Van de Keuken. Het valt te betwijfelen of producenten daarover ook zo denken. Douwe Egberts wilde bijvoorbeeld beslist niet uit eigen beweging een fairtrade-koffielijn introduceren.

2015. We zijn terug bij Gustaaf Haan. Die richt zijn pijlen noch op consumenten, noch op producenten. In plaats daarvan kijkt hij winkeliers aan. Hij vindt het bizar dat supermarkten bijvoorbeeld de slaafvrije chocola van Tony zomaar naast ‘slaafvolle’ verkopen. Maar de realiteit is dat supermarkten niet uit zichzelf verduurzamen. Zelfs niet onder lichte druk. De oprichters van Max Havelaar kregen in 1988 Albert Heijn bijvoorbeeld niet zo ver om de nieuwe koffie in de schappen te gaan zetten

Collectief probleem

Uiteindelijk keren de meeste pleitbezorgers van eerlijke producten toch weer terug bij de consument. Van de Keuken en Haan zijn geen uitzondering. In de toekomst die Haan – met een ironische knipoog – schetst, zijn de normale producten in de winkel duurzaam en eerlijk, en is de rest woekerproduct. Uiteindelijk is het aan de consument om ervoor te zorgen dat de grootgrutters meer goede dan slechte producten in de schappen gaan leggen.

De enige oplossing is om de verantwoordelijkheid te verdelen. Om er een collectief probleem van te maken in plaats van een probleem van de individuele consument, producent of winkelier. Denk aan het samen optrekken van consumenten met producenten die duurzaam of fairtrade leveren. De oprichters van Max Havelaar slaagden er weliswaar niet in hun koffie in de schappen van Albert Heijn te krijgen, maar consumenten lukte dit wel. Ze begonnen er massaal naar te vragen, waardoor Heijn wel door de knieën moest. Er ontstond een onuitgesproken partnerschap tussen activistische ondernemers en consumenten. Dat soort allianties mogen best meer uitgesproken worden.

Denk ook aan situaties waarin consumenten samen met lokale aanbieders zorgen dat klanten geen keuzes meer hoeven maken. Zorg er bijvoorbeeld met buurtbewoners voor dat het koffiehuis op de hoek alleen chocola van Tony verkoopt, regel met collega’s dat de kantine op het werk alleen nog Max Havelaar schenkt. Consumenten, producenten, winkeliers, activisten, overheden en certificeerders zullen moeten samenwerken. En als het mee zit, komt de consument ook nog een keer van zijn morele complex af.

Lees het artikel op de pagina van de Volkskrant

New study of grassroots initiatives and the ‘care of others’


Omslag initiatievenIn the process of writing my dissertation, I developed an interest in what Michel Foucault called ‘the care of others’. In one of the chapters, I wrote about the manner in which such ‘care’ is mediated by technology. The topic stayed with me, and developed in two interrelated lines of research. One traces the notion of the ‘care of others’ to the global level, the other particularly to the local level.

In terms of the global level, I am working on a book about fair trade. I conceptualize fair trade as a case that helps me to think about the relations between Westerners, like myself, and people at the other side of the globe. Some of the posts on this blog touch upon this issue.

In terms of the local level, at the Netherlands Institute for Social Research, I have been working on a study of grassroots initiatives that people have taken in five Dutch cities or villages (municipalities). In public debates in Holland, the initiatives that people take receive considerable attention. Many such initiatives address such issues as communal production of energy or improving the ‘liveability’ of one’s neighborhood. The study that I have been involved in, with my colleagues Anita Boele and Pepijn van Houwelingen, targets initiatives that people take to ‘care for others’. We found 23 examples in total, ranging from ‘care co-operatives’ to voluntary transport services. Particularly considering recent plans to reshape the Dutch welfare state into a ‘participation society’, politicians are keen on civic projects that (partly) replace professional, state-funded care. The 2007 Social Support Act (Wmo) therefore makes local governments responsible for stimulating such initiatives. Our study questions how this policy works out in practice.

The study (written in Dutch) was published today. An English-language summary can be downloaded here.