Revolution will not be theorized #1: De mens in opstand en de hoeders van de revolutie


In 2001 ging ik naar Boedapest om daar stage te lopen. Dat was een rare tijd, want vijf dagen nadat ik aankwam vlogen er twee vliegtuigen het World Trade Center binnen. Ik had een kamer met antieke meubels en schilderijen aan de muur gehuurd bij een hoogbejaarde vrouw. ’s Avonds zaten we samen naar de TV te kijken. Ik hoorde de naam Bin-Laden voor het eerst. Mijn hospita had koekjes gebakken. Ik sprak geen Hongaars, en zij sprak alleen dat. We hadden een Hongaars-Duits woordenboek om mee te communiceren.

Gedenksteen voor de Hongaarse Revolutie bij het Mammut II winkelcentrum

Boedapest was toen nog wat grauwer dan het nu is, maar de herfst was warm dat jaar. Tot eind oktober kon ik zonder jas aan langs de Donau lopen, of op een bankje in de zon zitten in het stadspark. Op 23 oktober kreeg ik griep. Ik had bezoek gehad uit Nederland, en die vertrokken die dag. Een beetje rillerig ging ik nog even naar de 45ste herdenking van de revolutie die daar in 1956 had gewoed. Vlakbij het huis waar ik mijn kamer had was recent een groot, glimmend winkelcentrum geopend, met een monument voor de revolutie naast de ingang. Dat leek me toen al wat gek: een monument, verwerkt in de muur van een mall.

Die Hongaarse revolutie heeft me niet meer losgelaten. Ik wilde na mijn stage graag weer terug naar Boedapest, en bedacht om mijn afstudeerscriptie over die gebeurtenissen van zo lang geleden kon schrijven. Hoewel het al bijna een halve eeuw eerder was gebeurd, mensen praatten er nog steeds over. En, misschien belangrijker: ze leken nog steeds ruzie over te maken over de vraag hoe dat in die tijd allemaal zo gelopen was. Was het nu een nationalistische volksopstand om het communisme omver te werpen, of toch een hervormingsgezinde beweging van intellectuelen die nog steeds geloofden dat een ‘socialisme met een menselijk gezicht’ mogelijk was?

De mens in opstand

Om me in te lezen las ik De mens in opstand van Albert Camus bij mijn ouders in de achtertuin. Dat verscheen in 1951, vijf jaar voor de opstand in Hongarije. Wat er daar gebeurde leek haast een praktijkuitvoering van wat Camus beschreef. Ik stel me voor dat hij gehuild moet hebben toen hij het op de radio hoorde, of misschien wel op een spiksplinternieuwe televisie zag.

Zijn essay werkt toe naar een kritiek op het nationaal-socialisme en het Leninisme. Wat dat laatste betreft gaat zijn aandacht vooral uit naar Lenins idee van een Partij die bestaat uit een voorhoede van de arbeidersklasse. De communistische Partij, waarover ik ook van alles las in verband met Hongarije, was een partij van beroepsrevolutionairen, van theoretici. Zij waren de ware hoeders van de socialistische Revolutie, met een grote R, en dulden geen tegenstand. Camus schrijft: ‘De gedachten, die zich voorgenomen hadden de wereld naar de revolutie te leiden, zijn nu gestold tot ideologieën, die zwijgende instemming in plaats van verzet eisen’ (p. 198). Elke opstand tegen de partij, was een opstand tegen de Revolutie: een contra-revolutie.

Contrarevolutie

Eerste pagina van het verslag van ambassadeur F.W. Craandijk

Deze situatie werd heel treffend beschreven door F.W. Craandijk, de Nederlandse ambassadeur te Hongarije ten tijde van de revolutie. Ik vond zijn verslag in het archief van de ambassade, dat bewaard wordt in het nationaal archief. Op 25 oktober 1956 reed hij met zijn ambtsauto door de straten van Boedapest. De volksopstand, een revolutie in zijn ogen, duurde toen al twee dagen. Het broeide in de stad. Dagelijks was er een enorme menigte op de been. Er gingen geen trams, er was weinig eten te krijgen, en op vele plekken werd gevochten. Russische tanks vochten tegen studenten, die zelfgemaakte molotov-cocktails in de lopen probeerden te gooien.

De ambassadeur bracht dagelijks, en soms zelfs vaker dan dat bericht uit aan Den Haag. Zijn taak was duidelijk: berichtgeving aan de Nederlandse politiek, en garantstelling van Nederlanders die zich in Hongarije bevonden. Toch liet de toestand hem verre van ongemoeid. Hij waagde nogal eens zijn leven om mensen uit een hotel te ontzetten, of om een beeld te krijgen van wat er leefde op straat. In zijn bericht van die dag valt te lezen: ‘Er heerste vanmorgen een volkomen verbroedering tussen alle klassen. Volksvrouwen en dames, arbeiders en burgers drongen om mijn auto en smeekten om wapens uit het buitenland. “Zeg aan Uw regering, dat de radio liegt; het is geen opstand van fascisten maar van alle Hongaren.”’ De door de communistische partij gecontroleerde radio verspreidde het bericht dat er sprake zou zijn van een contra-revolutie. Behalve fascisten zouden er kapitalisten en imperialisten achter de opstand zitten.

Kennelijk bestond de vrees dat dit soort zwartmakerij niet alleen geloofd zou worden door de buitenlandse pers, maar ook door de Hongaren zelf. Een paar dagen later schreef Craandijk: ‘Overal op de muren is een oproep verschenen, die de bevolking opwekt nieuws uit West-Europa en van vrijheidszenders in Hongarije te noteren, op te schrijven, te vermenigvulden en te verspreiden. Eigenaars van schrijfmachines worden opgeroepen deze voor dit doel beschikbaar te stellen’.

Op deze manier ontstond de eigenaardige situatie dat er gevochten moest worden over de vraag wat nu de daadwerkelijke revolutie was: die van het volk, of die van de partij. De geschiedenis heeft geleerd wie de discussie voor de korte termijn won. Op 4 november trokken Sovjettroepen Boedapest wederom binnen, schoten alles aan puin, en installeerden een nieuwe regering. Tot 1990 bleef de opstand officieel een contra-revolutie.

Opstand ingewikkeld gemaakt

Dit is meer dan een praktisch fenomeen. Het is handig om te begrijpen waarom Lenin het nodig achtte dat theoretici de Revolutie zouden leiden. Dat is omdat het idee van de Revolutie nogal ingewikkeld gemaakt was.

Volgens Camus behoort het in opstand komen tot de essentie van het mens-zijn. De geschiedenis van het Westerse denken is doorspekt met opstandjes. Anderen delen die mening, zoals Erich Fromm, die in zijn essay Disobedience as a Psychological and Moral Problem uit 1963 schreef: ‘human history began with an act of disobedience’, verwijzend naar de erfzonde van Adam en Eva.

In de bijbel is Kaïn, de oudste zoon van het eerste mensenpaar, de stamvader van de opstand tegen god. God accepteerde het offer van Kaïns broertje Abel wel, maar diens eigen offer niet. Kaïn kon het niet verkroppen, en bij wijze van misplaatste opstandige daad vermoordde hij Abel – en werd vervolgens het paradijs uitgezet.

Deels heeft de menselijke opstand daarmee een bovenmenselijke gerichtheid: in tegenstelling tot het verhaal van Frankstein en zijn monster – die zijn maker in leven laat – en van Kaïn en Abel is de moord op god een belangrijke lijn in de moderne geschiedenis geweest. Nietzshe had het twijfelachtige genoegen om het slagen van die moord in 1882 wereldkundig te maken, in zijn boek De Vrolijke Wetenschap. Zijn uitspraak ‘God is dood’ is net als Descartes’ ‘ik denk, dus ik besta’ een van de voornaamste one-liners in de filosofiegeschiedenis geworden. Dat de koningen die hun gezag aan god claimden te ontlenen ook een kopje kleiner gemaakt moesten worden was in metafysische zin niet meer dan consequent.

Revolutietheorie

Zo gauw in een opstand de vraag rijst: ‘en wat nu?’, of ‘wat doen we nu als de koning/god dood is?’ wordt de opstandige praat al snel ‘Talkin’ Bout a Revolution’, om met de folkzanger Tracy Chapman te spreken. Het gaat er niet alleen om dat de oude orde moet wijken, er moet ook een nieuwe komen. En niet zo maar een. Volgens Camus is ‘iedere revolutie een poging, de handeling af te stemmen op een idee, ten einde de wereld te pressen in theoretische vorm’ (p. 91).

Dat theoretische aspect is enigszins onvermijdelijk: men moet immers from scratch een hele nieuwe orde verzinnen. En de ene revolutie is de andere niet: het bestuur van je school omver werpen is een ding, maar een nieuwe wereld verzinnen als je net de vermeende maker daarvan hebt vermoord is een andere. Ineens sta je er als mensheid alleen voor. Voor zoiets wil je beslagen ten ijs komen en daarbij niet over een nacht ijs gaan, kortom: je denkt er eens een tijdje over na.

Men probeerde eerst nog eens een aantal ideeën uit die qua universaliteit met god hadden kunnen wedijveren, zoals Kants zuivere rede en Hegels absolute geest. Veel tastbaarder en gevoelsmatig dichter bij het kerkelijke huis was het socialistische idee van de heilstaat. Als god niet meer voor een hemel zou zorgen, waarom maken we dan niet zelf zoiets op aarde? Camus heeft het over een ‘vergoddelijkte staat van mensen’.

Nietzsche zag de bui al hangen, en bestempelde de socialistische beweging in zijn tijd ook snel als erfgenaam van het christendom. Camus citeert hem als volgt: ‘Het moderne socialisme is er op uit een soort van wereldlijke jezuïtenorde te kweken, van de mensen instrumenten te maken’ (p. 69).

Marx creërde volgens Camus nog een andere post-christelijke schijnbeweging: hij verving het idee van de goddelijke wil door het idee ‘vooruitgang’. De geschiedenis zou een noodzakelijke richting hebben, een doel. Door de manier waarop er in het economische systeem ongelijkheid bestond tussen de eigenaren van de productiemiddelen – arbeid, kapitaal en natuur – en de niet-bezittenden, was klassenstrijd onvermijdelijk. In de Franse revolutie had de bourgeoisie de eerste stap gezet door de adel – en hun goddelijke vader – te onttronen. Het was niet meer dan logisch dat de arbeiders vervolgens hetzelfde zouden doen met de bourgeoisie: de fabriekseigenaren, de kapitalisten. De klassenloze samenleving lag voor Marx dus in het verschiet. Camus concludeert: ‘het historische proces is revolutionair, omdat de economie revolutionair is’ (p. 160). De geschiedenis zelf wordt revolutie. Zij krijgt haar eigen dynamiek en stuurt daarmee de wereld aan, zoals god dat in vroeger tijden deed.

Ga er maar aan staan, als fabrieksarbeider, een revolutionaire geschiedenis van bijna goodelijk statuur. Maar om die arbeider, daar ging het misschien ook al niet meer om. Camus citeert Marx als: ‘Wat deze of gene proletariër, wat zelfs het hele proletariaat zich als zijn doel voorstelt, doet niet ter zake’ (p. 184). Vanaf daar is het nog maar een kleine stap naar Lenins voorhoede-adagium.

In een serie blogs onder de titel The revolution will not be theorized wil ik de komende tijd het idee van Camus verder onderzoeken, namelijk dat theorievorming over opstand uiteindelijk de opstand tegenwerkt. The Revolution will not be theorized is een verwijzing naar het nummer The Revolution will not be televized van Gil Scott-Heron.

Advertisements

Het systeem met zoetstof, review van Captain Fantastic


***SPOILER ALERT*** Captain Fantastic (Matt Ross, 2016) gaat over Ben Cash (Viggo Mortensen) die zijn roedel kinderen op licht militaristische wijze tot über-hippie-menschen opvoedt. Ze wonen teruggetrokken in de bossen, tot Bens vrouw zelfmoord pleegt. Haar vader geeft Ben de schuld, en geeft hem te kennen dat hij en de kinderen niet welkom zijn op de begrafenis. Vanzelfsprekend gaan ze toch – met hun hippie bus, Steve genaamd. Captain fantastic is een ‘interessante’ – een woord dat Bens kinderen niet mogen gebruiken, omdat het nietszeggend is – film over helden, wereldverbeteraars en een beetje dialectiek. En over The Man. Met een sausje zoetstof.

Held en wereldverbeteraar

De titel, Captain Fantastic, roept onvermijdelijk het beeld op van een superheldenfilm. Maar, zoals Viggo Mortensen zelf zei in een interview:

There really isn’t a hero. As you go along, you sort of cringe and see some of the things in this character you dislike most — rigidity, authoritarianism.

Mij deed het denken aan een onderscheid dat Larissa MacFarquhar in haar net vertaalde boek Wereldverbeteraars maakt tussen helden en… wereldverbeteraars. Helden zijn volgens haar mensen die inspringen op een crisis in hun directe omgeving. In zekere zin slaat dat op Ben Cash. Het idee om in het bos te gaan wonen kwam voort uit een poging zijn vrouw te helpen omgaan met haar bipolaire stoornis.

Een wereldverbeteraar is heel anders dan een held. Volgens MacFarquhar zijn dat mensen die proberen een ethisch zo voortreffelijk mogelijk leven te leiden. Het zijn vaak bemoeials, die anderen lastig vallen vanaf hun moral high ground. Ethisch voortreffelijk zijn overschaduwt de aandacht voor de directe omgeving. Enerzijds lijkt dat beslist niet van toepassing op Ben. Hij geeft immers meer om zijn gezin dan om wat dan ook. Goed doen is voor hem niet iets abstracts. Anderzijds bekent hij aan het einde van de film dat hij ergens wel wist dat hij zijn vrouw niet op zijn manier kon redden. En toch zette hij door.

Een synthese met zoetstof

Die spanning maakt Ben een interessant karakter. Net zoals hij misschien tegelijk held en wereldverbeteraar is, zo is hij ook tegelijk zachtaardig en totalitair. Is hij nu een soort superdad, of kunnen we hem even goed zien als een geestverwant van de vader in de fantastische documentaire The Wolfpack (Crystal Moselle, 2015), die eerder een soort sekteleider was? Als Bens dochter op een gegeven moment een analyse moet geven van de hoofdpersoon van Nabokovs Lolita, dan realiseer je je dat zij het even goed over Ben zelf had kunnen hebben. Een karakter dat zowel haat als medelijden opwekt.

Die spanning in Bens karakter nodigt uit tot een klein stukje dialectiek. In de meest basale uitleg slaat dat op een spanning tussen twee polen (these en antithese), die door de tijd heen wordt opgelost (synthese). Die twee polen zijn verenigd in het karakter van Ben. Ze zijn immanent aan zijn persoon, ze behoren hem allebei toe. Het is niet zo dat hij de ene pool (these) is, en dat er per se een ander karakter als tegenpool (antithese) nodig is om spanning op te wekken. Natuurlijk maakt een externe tegenpool het allemaal wel wat makkelijk. Daarom is Bens schoonvader er, Jack (Frank Langella). Hij lijkt alles te zijn wat Ben niet is: vertegenwoordiger van het grootkapitaal en van de maatschappelijke orde. Gaandeweg vraag je je af of ze wel zo verschillend zijn.

Als er een dialectisch proces plaatsvindt tussen these en antithese, wat is dan de synthese waarop de film uiteindelijk landt? Aan het eind van de film realiseert Ben dat hij zijn kinderen vreselijk benadeelt met zijn levenswijze. Even lijkt hij ze te verlaten. Jack, daarentegen, ontpopt zich als een amicale Godfather, die de zorg voor de kinderen wel op zich wil nemen. Uiteindelijk komt het niet zo ver. Ben komt tot inkeer. Samen met zijn hele roedel betrekt hij een charmant houten huisje. Ze passen zich aan aan de maatschappelijke orde van Jacks wereld. De kinderen gaan voor het eerst naar een normale school. Braaf doen ze hun huiswerk. Zoals de vriendin met wie ik de film zag scherp opmerkte: ze leren ineens over wilde dieren uit een boekje, en niet meer in het bos. Er is een zachte ochtendzon. Er is warme koffie. Er is zoetstof.

Glue it to the Man

Er zit een fikse dosis jaren ’60 tegencultuur in Bens anarchistische wereldbeeld. Daar zitten twee kanten aan. Enerzijds is er het verzet. Het systeem moet omver. Als Jack de wens van zijn dochter om gecremeerd te worden niet respecteert, komen Ben en de kinderen in opstand. Ze gaan op de missie ‘save mom’. Koste wat kost moet ze niet begraven worden. Power to the People! Stick it to Man!, zoals het jongste dochtertje herhaaldelijk roept.

Anderzijds proberen ze helemaal niet ‘het systeem’ omver te werpen. Ze trekken zich er juist uit terug. Ze gaan off the grid. Ze bedrijven ‘prefiguratieve’ politiek, een onderwerp waar mijn broer zich in zijn onderzoek mee bezig houdt.  Ze zijn de verandering die ze willen zien. Het is een manier om je tot ‘het systeem te verhouden’, zonder het actief omver te werpen.

Na de jaren ’60 verloren systeemcritici terrein aan mensen die benadrukten dat je maar beter kon bedenken hoe je je tot dat systeem moest verhouden. Zoiets zou je bijvoorbeeld ook kunnen zeggen over de verandering die de Franse filosoof Michel Foucault aan het eind van zijn leven doormaakte. In het midden van de jaren ’70 beschreef hij nog op cynische wijze hoe systemen ons achter onze ruggen om probeerden te disciplineren. In de vroege jaren ’80 wende hij zich van de systemen af. Hij legde zich toe op manieren waarop we voor onszelf en anderen kunnen zorgen. Systemen zijn er toch wel, we kunnen maar beter zorgen dat we er niet aan ten onder gaan. Mogelijk spreekt daar dan nog de hoop uit dat het systeem ooit eens zal veranderen, als we allemaal wat beter voor onszelf en anderen zorgen. Maar dat is toch iets anders dan Stick it to the Man!

Tot slot terug naar de synthese. De oplossing die Ben en zijn kinderen lijken te hebben omarmd is om het systeem maar gewoon te accepteren. He used to be a man with a stick in his hand, om met Queen te spreken. Of met Kurt Vile: Well I think by now you probably think I am a puppet to the Man / Well, I’ll tell you right now you best believe that I am / Sometimes I’m stuck in and I think I can unglue it. Zo lang je huis er nog maar een beetje hippie-achtig uitziet, is er niets aan de hand. Het klinkt naar wat wat Herbert Marcuse in 1964 de ‘eendimensionalisering’ van kritiek noemde. Kritiek die gewoon een plaatsje krijgt in het systeem. Dat einde is onbevredigend. Had dat niet anders gekund? Had de regisseur niet een manier kunnen verzinnen waarop ze in het systeem konden leven, zonder het over te nemen? Door op zijn minst hard te lachen om die malle plaatjes van die tijgers in de schoolboeken?

Interview De Standaard: ‘De wereld verbeter je niet door te shoppen’


Klik hier voor het originele artikel
Wouter Mensink
© Frederik Buyckx

Fair tradekoffie, kleren uit duurzaam katoen en groenten van de biomarkt: van de Nederlandse filosoof Wouter Mensink mag u ze gerust kopen, maar de wereld redt u er niet mee. ‘De consument mag niet de scheidsrechter van het systeem zijn.’

Zijn uitstapjes naar de winkel duren langer dan gemiddeld: zo veel mogelijk fair trade kopen en desnoods drie apps vergelijken om te achterhalen in welke omstandigheden producten gemaakt zijn. De Nederlandse filosoof Wouter Mensink is het prototype van de bewuste consument. Maar of al dat bewust winkelen de wereld ook echt zal verbeteren, daar heeft hij twijfels over. Volgens Mensink wordt de consument te veel ingezet als scheidsrechter, die met zijn aankopen de problemen aan de andere kant van de wereld maar moet oplossen.

‘Maar dat werkt niet’, zegt hij. ‘Een Nederlands onderzoek heeft aangetoond dat slechts vijf procent van de Nederlanders consequent voor duurzame producten kiest. Kijk naar fair tradekoffie, het pioniersproduct van eerlijke handel: na al die jaren wordt nog steeds maar één procent van alle koffie eerlijk verhandeld. Dan kun je je afvragen hoe effectief het is om via consumptie een betere wereld na te streven.’

‘Het verhelderendste vond ik een citaat van (academicus en voedselactivist, red.) Raj Patel: geen ­enkele structurele verandering in ­­de wereld is ooit bereikt door te winkelen.’

Nochtans kopen steeds meer mensen bewust, als verzet tegen het systeem. Maar u ­citeert Slavoj Zizek: mensen die fair trade kopen, zijn eigenlijk de ultieme neoliberalen.

‘Daar begin ik tegenwoordig graag lezingen mee (lacht). Het is wat plagerig, maar er zit een kern van waarheid in. De consumptiemaatschappij draait rond het idee dat kopen de manier is om problemen op te lossen. De individuele consument stuurt de markt wel de juiste richting uit. Maar zo krijgt hij wel heel veel verantwoordelijkheid op zijn schouders. En als ­hij er niet om vraagt, hoeven ­bedrijven ook niet duurzaam te produceren.’

‘Er bestaat van alles om dat systeem mogelijk te maken: labels, apps, tv-programma’s, de consumentenbond. Alles om ervoor te zorgen dat jij met je euro een stem kan uitbrengen en de wereldmarkt een bepaalde kant op stuurt. Ook fair tradebedrijven gaan in hun marketing mee in dat systeem: “met deze aankoop verbetert u het leven van een koffieboer”.’

Te voet door de jungle

Het is toch niet slecht om te willen weten waar een product vandaan komt?

‘Zeker niet, maar zou het niet fijn zijn als je dat niet hoefde te weten? Zo is er een documentaire, Blood in the mobile, waarin een man wil achterhalen of er coltan uit Congolese slavenmijnen in zijn smartphone zit. Hij wordt de ultieme consument en reist naar Congo om het zelf uit te zoeken, met het vliegtuig, de bus, de brommer en uiteindelijk te voet door de jungle. De film heeft iets ironisch in zijn extreme opzet: als je voor alles wat je koopt, moet achterhalen waar het vandaan komt, ben je best wat tijd kwijt. Erover nadenken is goed, maar het zou fijn zijn als je erop kon vertrouwen dat het product sowieso oké is.’

Keurmerken proberen een leidraad te zijn, maar daar hebt u geen hoge pet van op.

‘Het is dubbel, want ik let ook op keurmerken. Maar het is goed om te beseffen dat keurmerken een rol spelen in het systeem waarbij consumenten de scheidsrechter van de wereld moeten zijn. En efficiënt zijn ze alvast niet. Een ambtenaar vertelde me dat er alleen al voor voedsel 79 keurmerken zijn. Dat is toch totaal idioot? Een bedrijf als Hema drukt een groen blaadje op een label, waarop de consument denkt: “aha, ecologisch”. Terwijl het niet meer is dan een blaadje op een label.’

‘Maar ingrijpen doet de overheid niet, want de markt is vrij. Ze hoopt hooguit dat een kritische ngo ons kan vertellen welke keurmerken deugen en welke niet. Een keurmerk voor keurmerken dus. Belachelijk, toch?’

Kortom: de overheid moet ervoor zorgen dat elk product in de rekken een verantwoorde aankoop is?

‘Ze moet daar in elk geval een grotere rol in spelen. Dat kan natuurlijk niet van de ene dag op de andere. Maar ik hoop dat we over dertig jaar terugkijken en zeggen: weet je nog dat je in de supermarkt slaafvrije chocolade kon kopen, naast chocolade die door slaven gemaakt werd? Dat was toch gek?’

En de consument? Die mag stoppen met eerlijk te consumeren?

‘Nee, het is zeker niet de bedoeling dat je gaat achteroverleunen en niets doen. Ik wil niemand vertellen wat hij wel of niet moet doen. Maar als je dan toch bewust koopt, kun je ook eens nadenken welke rol je speelt in dat systeem, welke marketingmechanismen jou sturen en of je geen andere rol kunt opnemen dan alleen maar kopen. Burgers kunnen zich verenigen in netwerken, kunnen druk zetten op de overheid of het bedrijfsleven, het publiek debat voeren over wat we wel en niet in onze winkels willen.’

‘De nadruk van engagement is te veel op consumeren komen te liggen. Ook bij organisaties trouwens. Kijk naar de Wereldwinkels: vaak zijn dat vooral plekken waar je leuke, exotische cadeautjes koopt, in plaats van ruimtes waar je kan bijleren en je aansluiten bij een politieke beweging die druk kan zetten op de overheid.’

Vraagt dat niet net nog meer verantwoordelijkheid van de consument?

‘Niet noodzakelijk. Een groep Amerikaanse studenten kreeg het bijvoorbeeld gedaan dat hun universiteit alleen nog zaken deed met bedrijven die zich aan bepaalde normen hielden. Daardoor hoeven alle andere studenten zich niet langer het hoofd te breken welke producten ze het beste kopen. Niet iedereen hoeft activist te worden, alleen zien we nu vaak nog heel veel mogelijkheden over het hoofd.’

Elitair

Hoe zorg je dat daar meer mensen bij betrokken raken? Initiatieven rond duurzaamheid hebben nog een elitair imago.

‘Klopt, en dat is best lastig. In ­Nederland heb je winkels als Marqt en Ekoplaza, waar veel producten fair trade of duurzaam zijn. Dat is alvast beter dan slaafvrije chocolade naast gewone repen leggen. Maar vaak zijn het ook heel elitaire winkels, waar een bepaald slag hoogopgeleiden loopt waarbij ik me ook niet erg plezierig voel. De breuklijn in de maatschappij loopt al door het onderwijs en de arbeidsmarkt, komen we elkaar nu ook al niet meer tegen bij de boodschappen? Uiteindelijk wil je een gewone winkel waar iedereen binnen kan lopen, elkaar kan ontmoeten en de producten kan betalen.’

‘Toch hoeft duurzaam niet elitair te zijn. Kijk naar Aldi: vorig jaar hadden ze daar fair tradekatoen ingevoerd en dat was blijkbaar in één klap uitverkocht.’

Loopt u zelf met een schuld­gevoel door de winkel?

‘Ja, toch een beetje. Ik drink bijvoorbeeld sojamelk omdat ik ­lactose-intolerant ben, maar de bioversie laat ik staan, want die is twee keer zo duur. Sommige producten kosten meer omdat ze de productiekosten weerspiegelen, maar bij andere is de prijs hoger dan nodig omdat bedrijven denken dat een bepaalde elite het wel zal betalen. Als consument weet ­je niet hoe het zit. En dan voel ik ­me toch een beetje rot bij mijn keuze.’

Niet gedronken uit de Socratesbeker, wel blij


SocratesbekerOp vrijdag 15 oktober vond de Nacht van de Filosofie 2016 plaats. Onderdeel daarvan was de uitreiking van de Socratesbeker, de prijs voor het meest urgente, oorspronkelijke en prikkelende Nederlandstalige filosofieboek van 2015. De prijs ging naar René ten Bos, voor zijn boek Bureaucratie is een inktvis. Een hele mooie, en originele manier om zo’n ‘droog’ onderwerp levend te maken, waarbij we kennelijk zelfs ons vocabulair om erover te kunnen praten moeten herzien. Zo moeten we het niet langer over pennelikkers, maar over inktschijters hebben als we het over bureaucraten hebben. En dan niet alleen de bureaucratie veroordelen, maar ook omarmen.

Ik was erg blij om voor de prijs genomineerd te zijn, en om het lovende juryrapport te horen, hieronder te beluisteren, met dank aan Anne Schaap voor de foto en video.

Interview iFilosofie, digitaal tijdschrift van de Internationale School voor Wijsbegeerte


Hieronder is het interview terug te kijken door iFilosofie, het digitale tijdschrift van de Internationale School Voor Wijsbegeerte. De school bestaat dit jaar 100 jaar. Op 11 september doe ik daar mee aan het duurzaamheidscafé, rondom het thema ‘Hoog tijd voor een autoriteit ethische markten‘.

In het interview ga ik in op mijn boek ‘Kun je een betere wereld kopen? De consument en het fairtrade-complex‘ (Boom, 2015).

In Trouw: Verbeter de wereld, lees een filosoof


Lees het oorspronkelijke artikel op Trouw.nl
Leonie Breebaart − 11/04/16, 23:07
© Eva Hilhorst. Komende vrijdag, tijdens de Nacht van de Filosofie, wordt bekendgemaakt wie van de vijf genomineerde filosofen de trofee een jaar lang in de kast mag zetten.

Wie zal vrijdag de Socrates Wisselbeker winnen? Aan engagement ontbreekt het geen van de vijf auteurs. De wereldverbeterende filosofie is terug.

Kunnen we de wereld verbeteren door er anders over te denken? Die pretentie zullen weinig filosofen hardop uitspreken, maar de Socrates Wisselbeker voor het ‘meest urgente, oorspronkelijke en prikkelende Nederlandstalige filosofieboek van het jaar’ voedt de hoop dat zoiets mogelijk is wel. Komende vrijdag, tijdens de Nacht van de Filosofie, wordt bekendgemaakt wie van de vijf genomineerde filosofen de trofee een jaar lang in de kast mag zetten.

Filosofische reflectie op veel bediscussieerde kwesties – ongelijkheid, radicaliserende jongeren, crisis in de kunst – kán extra greep geven op zo’n probleem, wat weer kan leiden tot een effectievere aanpak. Dit jaar snijden de vijf genomineerden niet alleen allemaal een thema aan dat een groter publiek dan vakgenoten zal aanspreken, er klinkt in hun werk – vaak geïnspireerd op de ideeën van de Franse filosoof en socioloog Bruno Latour – ook een opvallend engagement door.

In sommige gevallen verleidt de filosoof de lezer zelfs tot een radicaal andere levensstijl – het is moeilijk onbezorgd vlees te blijven eten na het lezen van ‘Een beestachtige geschiedenis van het denken’ van Erno Eskens.

  • Zijn filosofen nog wel in staat de waarden van de Verlichting onverbiddelijk te verdedigen?

© TR Beeld. Tinneke Beeckman – Macht en onmacht. Een filosofische zoektocht.

Tinneke Beeckman
Vooral Tinneke Beeckman (1976) weet met haar boek ‘Macht en onmacht’ meteen een gevoel van urgentie op te roepen. Dat zij columnist is voor de Vlaamse krant De Standaard en dus dicht op het nieuws zit, speelt daarin misschien mee: door de aanslagen op de redactie van Charlie Hebdo als uitgangspunt te nemen, zet ze de lezer meteen midden in de actualiteit.

Daarbij leeft de vraag die Beeckman in ‘Macht en onmacht’ aansnijdt minstens zo sterk in Nederland als in België: zijn filosofen nog wel in staat de waarden van de Verlichting onverbiddelijk te verdedigen?

Of heeft het postmoderne denken, dat volgens Beeckman de hele westerse mentaliteit heeft geïnfecteerd, datzelfde Westen van elke mentale slagkracht beroofd? Volgens Beeckman is dat laatste inderdaad het geval. “Elk denken heeft normen voor waarheid en waarachtigheid nodig”, schrijft Beeckman, “maar de ironische postmodernist beschouwt het als zijn taak om meteen de andere kant van de stelling te zien.”

Daar lijkt Beeckman een punt te hebben: als je waarheidaanspraken voortdurend bestrijdt vanuit de gedachte ‘dat het er maar aan ligt hoe je het bekijkt’, hoe weerspreek je dan nog de aperte lariekoek, zoals de onder jongeren populaire theorie dat ‘9/11’ en de aanslagen in Parijs het werk waren van westerse inlichtingendiensten?

Alleen: de gedachte dat een paar postmoderne filosofen verantwoordelijk zijn voor de huidige explosie aan complottheorieën, geeft hen te veel eer. Internet en het gevoel van uitsluiting lijken een logischer oorzaak. Omdat Beeckman de oorzaak bij een manier van denken legt, ziet ze daar ook een oplossing. Maar je kunt filosofen moeilijk verordonneren terug te keren tot een geloof in ‘dé waarheid’ dat een eeuw geleden filosofisch al naïef klonk

© TR Beeld. Wouter Mensink – Kun je een betere wereld kopen?

Wouter Mensink
Actueel en aansprekend is ook ‘Kun je een betere wereld kopen?’ Wouter Mensink (1979) snijdt een probleem aan waar we in het dagelijks leven waarschijnlijk nóg vaker mee worstelen dan met een aanslag: de ethische dilemma’s in de supermarkt. Kies ik dit keer voor Fair Trade-koffie of voor dat goedkopere merk? Moet ik me dan schuldig voelen? Hoe weet ik trouwens of dit keurmerk echt deugt?

In elk geval vindt Mensink het onverantwoord die keuze helemaal op het bord van de individuele consument te schuiven. Eerlijke wereldhandel is een collectief probleem. Geïnspireerd door Peter Sloterdijk en Bruno Latour (ook een inspiratiebron van Beeckman) stelt hij voor te werken aan netwerken van ‘immuniteit’, waarin foute producten niet kunnen doordringen: dorpen of werkplekken bijvoorbeeld, waar alleen eerlijke producten te koop zijn. Een praktische, maar goed onderbouwde conclusie, die je met recht wereldverbeterend kunt noemen.

© TR Beeld. René ten Bos – Bureaucratie is een inktvis

René ten Bos
Toch mist Mensink de filosofische esprit die een boek kan uittillen boven het louter verhelderende. En dat is juist een eigenschap waar de productieve (en al meermaals voor deze prijs genomineerde) René ten Bos in uitmunt, zeker voor een filosoof die zich bezighoudt met het ‘saaie’ terrein van bestuurskunde en management. Stilistisch laat Ten Bos zich liever inspireren door de kunst van de roman en dat is te merken aan zijn sprankelende taalgebruik en inventieve metaforen.

Alleen al de titel van zijn kanshebbende boek, ‘Bureaucratie is een inktvis’, is een aparte mix van twee werelden, die weinig met elkaar te maken lijken te hebben. Maar Ten Bos ziet juist een nauw verband tussen het glibberige zeewezen dat zich in een wolk van inkt kan verbergen en de bureaucraat (of ‘inktschijter’) die de simpelste vragen beantwoordt met een ondoordringbare berg aan nóg meer formulieren. “Camouflage is zijn kerncompetentie”, schrijft hij dan met typerend gevoel voor humor.

In zijn zoektocht naar de bronnen van de formulieren-drift waar zoveel werknemers in moderne organisaties onder gebukt gaan, laat de auteur ons onder meer kennismaken met de uitvinder van ‘Scientific Magagement’, de Amerikaan Frederick Winslow Taylor (1856-1915).

Dat levert even prachtige als verhelderende passages op, maar een actieplan tegen de bureaucratie rolt er niet uit, daarvoor vindt Ten Bos het fenomeen ook te fascinerend. Bovendien valt het sowieso niet uit te roeien. Zijn kritiek op bureaucratische idiotie verpakt Ten Bos vooral in satirische formuleringen. Prachtig om te lezen, maar de wolkachtige structuur maakt dat ‘Bureaucratie is een inktvis’ niet echt bijt, niet gevaarlijk wordt. Al zou het de Socrates Wisselbeker om zijn oorspronkelijkheid dubbel en dewars verdienen.

  • De neiging om `het lagere¿ uit te stoten, heeft te lang geduurd. Laten we met dieren niet die fout maken

Erno Eskens
Gevaarlijker en radicaler is ‘Een beestachtige geschiedenis van de filosofie’ van Erno Eskens. De uitgever en filosoof die zich al veel langer sterk maakt voor de rechten van het dier, probeert in dit boek de geschiedenis van de filosofie te herschrijven zonder zich schuldig te maken aan de Tiervergessenheit die hij in de traditie bespeurt: het buitensluiten van het dier als een wezen van een lagere categorie.

Ondanks de schat aan informatie die Eskens daartoe bijeenbrengt en die zich uitstrekt van Plato tot Dick Swaab, is deze uitgave zeker geen onderonsje tussen filosofen. Door de schitterende illustraties ziet het boek er niet alleen uit als een koffietafelboek, ook in zijn taalgebruik, soms bijna gezellig, richt Eskens zich tot leek.

En dat past bij de radicaal-democratische inzet van dit boek. “Het denken in termen van hogere en lagere wezens zal eeuwenlang het ‘gebruik’ van vrouwen, slaven en dieren ‘voor hogere doeleinden’ legitimeren”, schrijft hij. Met andere woorden: de menselijke neiging om ‘het lagere’ uit te stoten, heeft volgens Eskens al te lang geduurd. Laten we met dieren niet diezelfde fout maken.

Eskens’ engagement leidt tot een radicaal andere benadering van het dier. Zoals hij vorige week vrijdag in Trouw al vertelde, vindt hij het ‘verachtelijk’ het denken toe te snijden op een visie die ons goed uitkomt. Dat kan een reden zijn om Eskens’ boek te bekronen als het urgentste van het jaar.

Tekst loopt door onder foto.

© TR Beeld. Erno Eskens – Een beestachtige geschiedenis van de filosofie
  • Kunst kán inderdaad die ruimte zijn waar wereldse taboes, verboden verlangens, verdrongen herinneringen wél uitgesproken mogen worden

© TR Beeld. Arnold Heumakers – De esthetische revolutie

Arnold Heumakers

Toch is er nog een manier om het denken te volgen waar het heen loopt, zoals Arnold Heumakers laat zien met zijn indrukwekkende studie ‘De esthetische revolutie’. Anders dan Erno Eskens lijkt Heumakers (1950), literair criticus voor NRC Handelsblad, in het werken aan dit boek werkelijk een antwoord te hebben gezocht op een vraag – dus zonder nog te weten waar hij zou uitkomen.

Welke vraag dat was, beschrijft hij achterin het boek het mooist. Dan bekent hij dat hij zich regelmatig heeft geërgerd aan kunstenaars die ‘hun zondagse gezicht opzetten’ om te oreren over de unieke plek van kunst als een instantie van maatschappijkritiek, verbeeldingskracht enzovoorts. Is dat nou echt zo? Heeft de kunst de maatschappij echt iets bijzonders te bieden?

Na een uitputtend onderzoek naar de wortels van het moderne kunstbegrip – in de Verlichting en in de Romantiek – concludeert de auteur min of meer tot zijn eigen verbazing dat hij de aspiraties van de kunstenaar toch wel begrijpt. Kunst kán inderdaad die ruimte zijn waar wereldse taboes, verboden verlangens, verdrongen herinneringen wél uitgesproken mogen worden. “Er is zoveel waarheid, zoveel werkelijkheid waar de wereld geen behoefte aan of emplooi voor heeft. In de literatuur kan daar een plek voor gevonden worden.”

‘De esthetische revolutie’ is niet alleen informatief en diepzinnig, ook precies, erudiet en elegant geschreven: nu al een standaardwerk van de moderne esthetica.

En toch, als de jury vasthoudt aan de criteria van deze prijs, dan maakt Heumakers niet veel kans. Kunstliefhebbers zullen zijn pleidooi urgent vinden, maar heel oorspronkelijk of prikkelend is ‘De esthetische revolutie’ niet. Als de jury aan alle drie de criteria wil voldoen, ligt het voor de hand te kiezen voor de beestachtige filosofie van Erno Eskens.

Komende vrijdag, tijdens de Nacht van de Filosofie, wordt de winnaar van de Socrates Wisselbeker bekendgemaakt. Na het rumoer over het geringe aantal vrouwen waaruit de jury kon kiezen (zes op de 64 voor deze prijs ingezonden boeken) zwengelt Fleur Spier bij deze gelegenheid een debat aan over diversiteit.

Zie ook http://www.filosofie.nl/vrouwifest