Systeem- en leefwereld, deel 2: reactie op Jos van der Lans


Ik schreef een bijdrage voor de website SocialeVraagstukken.nl over het filosofische onderscheid tussen systeem- en leefwereld. Dit onderscheid wordt tegenwoordig vaak aangehaald in het publieke, politieke en ambtelijke debat. Ik haalde in mijn bijdrage het werk van Jos van der Lans aan, die meteen een mooie reactie schreef. Ik ben het grotendeels met hem eens, en vind zijn ‘oplossing’ eigenlijk beter dan de mijne.

Van der Lans erkent dat het onderscheid een hulpmiddel is dat een eigen leven is gaan leiden. Hij voegt toe:

Maar het omgekeerde: de werkelijkheid beschrijven zonder begripsmatige duidingen en abstracties is heden ten dage misschien nog wel een grotere illusie. Het riekt naar wat ik voor het gemak maar even als een naïef soort empirisme betitel: het idee dat je de werkelijkheid zou kunnen beschrijven en dat van daaruit een soort natuurlijk begrip zou opkomen.

Ik ben het met hem eens dat empirisme wat naïef kan zijn. Zoals ik mijn bijdrage ook zei is het illusie te denken dat je als onderzoeker als het ware over een kloof naar de werkelijkheid kijkt. Je staat er middenin. Je moet de werkelijkheid altijd een handje te helpen om zich aan je te tonen. Zelfs als je wilt onderzoeken of water zout bevat moet je ingrijpen, bijvoorbeeld door het te verhitten. Zo verdamp je het water en hou je zout over. Je verandert door het onderzoek dus de werkelijkheid, in dit geval door zout en water te scheiden.

Toch kun je denk ik verder komen met beschrijvingen dan Van der Lans suggereert. De filosoof Bruno Latour, die ik aanhaal in mijn bijdrage, zegt, bewust polemisch: als je na een beschrijving nog altijd een verklaring nodig hebt, dan was het een slechte beschrijving. Misschien is dat te kort door de bocht. Wel moet je ervoor waken om niet een verklaring aan de werkelijkheid ‘op te leggen’. Van der Lans lijkt die bezorgdheid te delen, waar hij zegt dat je nieuwe begrippen moet zoeken als je oude begrippen de werkelijkheid geweld aan doen. Je kunt nog meer doen dan dat: in je beschrijving kun je ook de ingrepen meenemen die je als onderzoeker doet. Wat dat betreft kunnen we nog veel van antropologen leren.

Een belangrijke vraag is dan wat voor soort begrippen je gaat gebruiken. Van der Lans suggereert dat het begrip ‘netwerk’ waarmee Latour komt aanzetten in feite ook een abstracties is, net zoals ‘systeemwereld’ en ‘leefwereld’. Dat is zeker waar. In zekere zin zijn alle begrippen abstracties. Van der Lans zegt zelf al dat sommige begrippen de werkelijkheid geweld aandoen, maar de Sloveense filosoof Slavoj Žižek gaat zelfs een stap verder. Hij noemt taal überhaupt ‘gewelddadig’, omdat een enkel woord altijd een sterke versimpeling is van hetgeen waarnaar het verwijst (een appel is echt niet perfect rond). We kunnen dan alleen maar proberen om begrippen te zoeken die zo min mogelijk ingrijpen in wat we bestuderen. Vaak kunnen we heel goed uit de voeten met de begrippen die de mensen die we onderzoeken zelf gebruiken.

In mijn bijdrage stelde ik voor om de begrippen ‘systeemwereld’ en ‘leefwereld’ maar niet meer te gebruiken, omdat ze alleen maar de nadruk vestigen op de kloof tussen ambtenaren, professionals en burgers. Door een kloof steeds maar te benadrukken loop je het risico dat hij alsmaar breder wordt. Maar Van der Lans stelt terecht dat het ook geen oplossing is om er dan maar niet meer over te praten. Of we de kloof nu zelf gemaakt hebben of niet, hij bestaat in zekere zin. Als je een kuil graaft en je wilt dat mensen er niet invallen, dan kun je er maar beter een hek omheen zetten. Erg duurzaam is die oplossing echter niet. Van der Lans heeft een mooiere suggestie. Hij zegt:

je ontmaskerd [begrippen en abstracties] niet door ze weg te gummen, maar door zorgvuldig en precies te analyseren, waarom ze kennelijk voor grote groepen mensen tot de verbeelding spreken.

Daarmee kom je in de buurt van wat ook wel een ideeëngeschiedenis heet. Ik sluit me hier graag bij aan: laten we goed analyseren hoe we ertoe gekomen zijn te denken dat er een kloof bestaat tussen burgers en overheid. Daarvoor zouden we wel eens ver terug de tijd in moeten gaan, tot het begin van wat we de ‘moderne tijd’ zijn gaan noemen. Als we er eenmaal uit zijn, dan kunnen we onze begrippen misschien ombuigen tot andere, die minder ingrijpend zijn.

Advertisements

Systeem- en leefwereld: hoe de kloof te dichten (artikel op socialevraagstukken.nl)


123AAlogoOospronkelijk artikel op SocialeVraagstukken.nl

Een curieus verschijnsel: een aanzienlijk deel van de maatschappelijke en ambtelijke sector gaat aan de haal met een filosofisch concept, namelijk het onderscheid tussen systeemwereld en leefwereld. Jos van der Lans en anderen doen er goed aan minder over die kloof te praten.

De classificatie in systeemwereld en leefwereld, gepopulariseerd door de Duitse filosoof Jürgen Habermas (1987) in de jaren ‘80, heeft haar weg gevonden naar lokale beleidsplannen en pamfletten om de verhouding tussen burgers, overheid en professionals te duiden en opnieuw in te richten. Cultuurpsycholoog Jos van der Lans is een van de wegbereiders. Peel en Maas is een voorbeeld van een gemeente die een lans breekt voor de terminologie in de lokale context (Schmitz 2013; Schmitz et al. 2009).

Op zich is filosofische bespiegeling op de dagelijkse praktijk nastrevenswaardig. Er zijn echter drie problemen met de classificatie en de manier waarop die gebruikt wordt. Ten eerste wordt hij op verschillende manieren gebruikt, wat leidt tot verwarring: wat is nu eigenlijk het probleem? Ten tweede klopt de opdeling in twee werelden niet helemaal. Ten derde bestaat het gevaar van een selffulfilling prophecy: het idee dat we ons gaan gedragen alsof de tweedeling wel zou bestaan.

Habermas betoogt het tegenovergestelde van Van der Lans

Onder de titel Loslaten, vertrouwen, verbinden doet Jos van der Lans (2011) verslag van een serie workshops over het thema Binding. Hij beschrijft onder andere een sessie die uitmondt in een flap-over met twee rijtjes woorden erop. Aan de ene kant staan zaken die met de overheid en professionele instellingen verband houden, en aan de andere kant zaken die met burgers verband houden. Voor Van der Lans is dit het onderscheid tussen systeem- en leefwereld. Hij omschrijft onderscheid dit als volgt:

‘De systeemwereld is alles wat mensen ontwikkeld hebben aan instellingen en structuren op gebieden als economie, politiek, onderwijs, wetenschap, overheid, gezondheidszorg, verzorgingsstaat enz. enz. Dus een buitengewoon ongelijksoortige verzameling van systemen en subsystemen. De leefwereld is het ervaringsdomein, waarin mensen met elkaar omgaan in en buiten de systemen’ (van der Lans 2010: 46)

Dit komt nog redelijk overeen met hoe Habermas (1987) de twee werelden beschreef. Van der Lans wijkt echter af van diens ideeën af als het gaat om de verhouding tussen die twee werelden. Van der Lans betoogt ‘dat die twee sferen uit elkaar drijven, geen betekenisvolle overlap meer vertonen en elkaar dwars zitten’ (2011: 56). De systeemwereld is volgens hem ‘losgezongen’ van de leefwereld (2011: 75). Hoewel Habermas het eens zou zijn dat de sferen vanuit een andere logica opereren is het probleem dat hij signaleert nagenoeg het tegenovergestelde. Habermas spreekt over een ‘kolonisatie van de leefwereld’. De gemeente Peel en Maas neemt die analyse over (Schmitz 2013; Schmitz et al. 2009).

Het is nogal iets anders: een systeemwereld die is ‘losgezongen’ van de leefwereld of een systeemwereld die de leefwereld ‘koloniseert’. Kort door de bocht gezegd suggereert het eerste dat ambtenaren en professionals niet meer met burgers kunnen praten doordat ze uit andere werelden komen. Het tweede suggereert dat burgers net zo gaan praten als ambtenaren en professionals, als gevolg van de kolonisatie.

Beide implicaties zijn vermoedelijk onwenselijk. Maar ze leiden wel tot verschillende ‘oplossingen’. Van der Lans suggereert dat professionals zich juist weer moeten gaan manifesteren in de leefwereld van burgers, manifesteren zonder te koloniseren zou je kunnen zeggen. Hij noemt dit een ‘modern paternalisme’ (Kuypers en van der Lans 1994; Van der Lans et al. 2003). De wijkteams, waarover nu veel wordt gesproken, ziet hij als een voorbeeld hiervan (Hilhorst en Van der Lans 2015). Peel en Maas begint, in de geest van Habermas, andersom, en gaat uit van zelfsturende gemeenschappen, waarop professionals hooguit kunnen aanhaken.

Waarom denken we in tweedelingen?

Van der Lans geeft meteen toe dat een tweedeling van werelden een kunstmatig onderscheid is. Toch zou het verhelderend, omdat het zou laten zien dat de sferen uit elkaar drijven. Dat is een cirkelredenering. Van der Lans zegt in feite: als we uitgaan van dit onderscheid zien we dat het onderscheid er is en groter wordt. Zijn punt is vermoedelijk dat een dergelijke schematische weergave van de werkelijkheid ons kan helpen om bepaalde grote lijnen te begrijpen. Op zich is dat een valide argument. Het is een bepaalde manier om door conceptualisering orde aan te brengen in de chaos. In die zin is het onderscheid van Habermas zeker verhelderend.

Hoe zijn we ertoe gekomen om zo in tweedelingen te denken? De Franse filosoof en antropoloog Bruno Latour zou waarschijnlijk opmerken dat dit een manier van denken is die typisch past in de moderne tijd. Die begon grofweg in de 16e eeuw. Men is het er niet over eens of we nu nog steeds in dit tijdperk leven, of dat we inmiddels ‘postmodern’ zijn. Wel is men het erover eens dat classificatie, of het maken van onderscheid typisch een onderdeel van het moderne denken is. Het meest extreme voorbeeld is dat van het onderscheid tussen de onderzoeker en zijn object van onderzoek. De onderzoeker wordt voorgesteld als iemand die als het ware over een kloof naar de wereld kijkt, zonder er zelf iets mee te maken te hebben. Het onderscheid tussen systeemwereld en leefwereld is ook zo’n kloof. En die kloof is zo breed dat er aan weerszijden een verschillende logica is ontstaan. Op de flap-over van Van der Lans uit die kloof zich in de witte ruimte tussen de twee rijtjes woorden.

Een consequentie van het moderne denken is dat we daarmee in de inrichting van de samenleving daadwerkelijk dit soort kloven aanbrengen – denk ook aan rolpatronen, en de scheiding tussen het westen en de rest van de wereld – om vervolgens te verzinnen hoe we die kunnen overbruggen. De onderzoeker krijgt methoden en technieken aangereikt om toch iets te kunnen zeggen over objecten aan de andere kant van de kloof. En Van der Lans is erop uit te onderzoeken hoe we die kloof tussen systeem- en leefwereld kunnen dichten. Het ironische is volgens Latour dat wie die kloven zelf gemaakt hebben, al doen we heel erg alsof die van nature bestaan. Een titel van een van zijn boeken is dan ook: ‘We zijn nooit modern geweest’ (Latour 1993). We doen maar alsof; we denken niet van nature op de manier die ik hierboven als ‘modern’ beschreef. Modern zijn is een constructie, die we ook weer uit elkaar zouden kunnen halen.

In plaats van algemene dichotomieën: praktijken beschrijven

Wat zou er gebeuren als we er niet bij voorbaat van uit zouden gaan dat professionals en ambtenaren zich in een andere wereld begeven dan de rest van het land? Hoe zouden we dan moeten onderzoeken hoe die zich tot elkaar verhouden? Latour zou zeggen dat we om te beginnen moeten ophouden te denken in algemene, vage termen als ‘systemen’, ‘waarden’ en ‘bureaucratie’. Laten we eens heel praktisch beschrijven hoe ambtenaren, professionals en burgers zich tot elkaar verhouden. Waar spreken ze elkaar? Zijn er plekken waar ze regelmatig samenkomen? Wat voor afspraken maken ze, en hoe leggen ze die vast? Op die manier te kijken hoe dit soort actoren onderling netwerken vormen, of juist netwerkvorming afhouden, is onderdeel van wat Latour met een aantal andere denkers actor-network theory heeft genoemd (zie bijv. Latour 2005). Ongetwijfeld kom je dan ook voorbeelden tegen van professionals die burgers in een bepaald stramien proberen te duwen, of overlegmomenten waarop mensen inderdaad verschillende talen spreken. Maar dan is de insteek om precies te beschrijven waaraan dat nu ligt, in plaats van in algemene dichotomieën te vervallen.

De tweedeling gedicht: ophouden er zoveel over te praten

Stel dat Habermas en Van der Lans allebei gelijk hebben. Stel dat professionele instellingen en de overheid inderdaad volgens een andere logica opereren dan burgers. Of ze nu ‘losgezongen’ zijn van elkaar, of dat de een de ander ‘koloniseert’, we vinden zo’n taalverschil niet wenselijk. Stel nou verder nog eens dat óók Latour gelijk heeft, en dat dat verschil in logica en taal het gevolg is van een kloof die we zelf gemaakt hebben. Als dat het geval is, is het praten in termen van kloven een selffulfilling prophecy. Als we de kloof die we hebben gemaakt zouden willen dichten, dan zou een goed begin zijn om op te houden er zoveel over te praten.

Wouter Mensink is onderzoeker bij het Sociaal en Cultureel Planbureau

 

Habermas, J. (1987). The theory of communicative action, volume 2: the critique of functionalist reason. In: Polity, Cambridge, UK.
Hilhorst, P. en J. Van der Lans (2015). Nabij is beter. Essays over de beloften van de 3 decentralisaties. Den Haag: Kwaliteitsinstituut Nederlandse Gemeenten.
Kuypers, P. en J. van der Lans (1994). Naar een modern paternalisme: over de noodzaak van sociaal beleid: pamflet: De Balie. (Herdruk uit: Not in File).
Latour, B. (1993). We have never been modern: Harvard Univ Pr.
Latour, B. (2005). Reassembling the social: an introduction to actor-network-theory: Oxford University Press, USA.
Schmitz, G. (2013). Praten met elkaar en met de overheid. Essay over de communicatieve route naar vitale gemeenschappen. Peel en Maas: Gemeente Peel en Maas.
Schmitz, G., W. Van der Coelen, K. Ahaus, A. Hersevoort en A. Van de Wetering (2009). De ontwikkeling van een zelfsturende en vitale gemeenschap. Het brondocument. Helden: Gemeente Peel en Maas.
Lans, J., van der (2010). Eropaf! De nieuwe start van het sociaal werk. Amsterdam: Augustus.
Lans, J., van der (2011). Loslaten, vertrouwen, verbinden. Over burgers & binding. Verslag van een startconferentie en 8 workshops. Amsterdam: Stichting DOEN.
Lans, J., van der, N. Medema en M. Räkers (2003). Bemoeien werkt. Naar een pragmatisch paternalisme in de sociale sector. Amsterdam: Uitgeverij De Balie.

New study of grassroots initiatives and the ‘care of others’


Omslag initiatievenIn the process of writing my dissertation, I developed an interest in what Michel Foucault called ‘the care of others’. In one of the chapters, I wrote about the manner in which such ‘care’ is mediated by technology. The topic stayed with me, and developed in two interrelated lines of research. One traces the notion of the ‘care of others’ to the global level, the other particularly to the local level.

In terms of the global level, I am working on a book about fair trade. I conceptualize fair trade as a case that helps me to think about the relations between Westerners, like myself, and people at the other side of the globe. Some of the posts on this blog touch upon this issue.

In terms of the local level, at the Netherlands Institute for Social Research, I have been working on a study of grassroots initiatives that people have taken in five Dutch cities or villages (municipalities). In public debates in Holland, the initiatives that people take receive considerable attention. Many such initiatives address such issues as communal production of energy or improving the ‘liveability’ of one’s neighborhood. The study that I have been involved in, with my colleagues Anita Boele and Pepijn van Houwelingen, targets initiatives that people take to ‘care for others’. We found 23 examples in total, ranging from ‘care co-operatives’ to voluntary transport services. Particularly considering recent plans to reshape the Dutch welfare state into a ‘participation society’, politicians are keen on civic projects that (partly) replace professional, state-funded care. The 2007 Social Support Act (Wmo) therefore makes local governments responsible for stimulating such initiatives. Our study questions how this policy works out in practice.

The study (written in Dutch) was published today. An English-language summary can be downloaded here.

55 jaar herinterpretatie van de Hongaarse revolutie


Mijn afstudeeronderzoek, in 2002, ging over de rol van intellectuelen in de Hongaarse revolutie van 1956 en de Praagse Lente van 1968. De opstandelingen waren gekant tegen de onderdrukking door het toenmalige regime.

Het Hongarije van nu staat weer aan de rand van de afgrond. Sinds 2010 heeft de rechts-conservatieve partij Fidesz een tweederde meerderheid in het Hongaarse parlement. Onder premier Viktor Orbán wordt in ras tempo een nieuwe dictatuur opgetuigd. Sinds zijn aantreden is een onvoorstelbaar aantal wetswijzigingen aangenomen, waarin bijvoorbeeld de vrijheid van de media en van religie ernstig worden beperkt. Veel wetswijzigingen kunnen alleen met een tweederde meerderheid ongedaan worden gemaakt. De kieswet is zo gewijzigd dat de herverkiezing van de huidige regering aanzienlijk meer kansrijk is geworden. Daarbij is Hongarije nagenoeg failliet. Orbán bemoeilijkt echter het proces om internationale steun te verkrijgen. Hij blijft fel nationalistische toespraken houden waarin internationale kritiek als poging tot kolonisering worden afgedaan.

In 2011 vond de 55ste herdenking van de Hongaarse revolutie plaats. Naar aanleiding daarvan heb ik een korte bijdrage geschreven in het jaarlijkse nieuwjaarsboekje van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), waarvoor ik werk. Mijn bijdrage is hier te lezen. Ik raad ook zeker aan om de andere bijdragen in het boekje te lezen. Dit is getiteld: Niet alle dagen feest.