Revolution will not be theorized #2: Denken over geweld verdeelt


Dit is  de tweede blog in de serie The revolution will not be theorized, waarin ik in de voetsporen van Albert Camus de relatie over theorie en praktijk van revoluties, opstand en verzet onderzoek.

Ik in de bibliotheek

Revoluties bestuderen vond ik ongelofelijk romantisch toen ik begin twintig was. Ik interviewde ooggetuigen in koffiehuizen en bracht hele dagen door in de mooie bibliotheek van het inmiddels gedeeltelijk opgeheven Instituut voor de Geschiedenis van de Hongaarse Revolutie van 1956. Door de balkondeur kwam een briesje binnen met het straatgeluid van de Dohány utca. Als ik mensen mocht interviewen die hadden deelgenomen aan het gewapende verzet, zoals de ondertussen overleden György Litván, dan vond ik dat reuze spannend. Ik was waarschijnlijk de enige niet: Time magazine riep de gewapende Hongaarse vrijheidsstrijder uit tot ‘man van het jaar’ (tegenwoordig mogen vrouwen ook mee doen).

Minder aantrekkelijk vond ik de beelden van de geheim agenten die tijdens de opstand werden gelyncht. Vechten tegen een onderdrukkende mogendheid was één ding, maar lynchings leken me niet bon ton. Kati Márton, een ooggetuige, beschrijft het als volgt in haar memoirs:

They were dragged by lynch mobs dispensing a brutal justice. Their bodies soon hung from lampposts in Pest and a few on Széna tér. We avoided looking up at them. My parents (Mama had returned from her brief trip to London) were repulsed by this bloody excess, and feared it would damage the Revolution in the eyes of the world.

Vooral die laatste zin is interessant: het beeld dat excessief geweld de revolutie kan beschadigen.

Geweld is een thema waarover theoretici behoorlijk aangeslagen kunnen raken. In tegenstelling tot Camus’ theorie gaat het er niet om dat een voorhoede van theoretici een geweldsmonopolie claimt. Eerder gaat het erom dat intellectuelen met elkaar in debat gingen over de vraag of geweld een rol heeft in een opstand, en met hun debat de opstand in de weg zaten. Het debat verdeeld de beweging.

Menswording

Rond dezelfde tijd als de Hongaarse revolutie woedden er antikoloniale opstanden in Noord-Afrika. De opstand van de Hongaren was deels ook antikoloniaal: overal stond ‘’ op de muren geschreven. Frantz Fanon, een tijdgenoot van Camus, schreef voor over dit soort verzet in zijn boek De verworpenen der aarde. Hij beschrijft dekolonisatie als de vervanging van de ene menssoort door de ander, en ‘de vervanging is totaal, volledig, absoluut, zonder overgang’ (p. 25).

In dat proces worden nieuwe, postkoloniale mensen geschapen. Voor Fanon is dat heel fundamenteel. Het gaat verder dan te zeggen dat de postkoloniale mens anders is dan de gekoloniseerde mens. Hij stelt dat de gekoloniseerde een ‘ding’ is, dat pas mens kan worden door met geweld in opstand te komen tegen de kolonisator.

Frantz Fanon

Op het vlak van het individu heeft het geweld een ontgiftigende werking. Het bevrijdt de gekoloniseerde van zijn minderwaarigheids-complex, van zijn beschouwende houding van zijn totale wanhoop [..] Het geweld verheft het volk tot de hoogte van de leider’ (p. 69).

Het is in feite het geweld van de kolonisator, dat zich ineens tegen zichzelf keert: ‘De man van wie men voortdurend heeft gezegd dat hij alleen de taal van het geweld verstaat, besluit zich uit te drukken door middel van geweld’ (p. 62).

Fanon had een broertje dood aan geweldloosheid. Dit was puur iets voor de intellectuele gekoloniseerde elite. Zij strooiden de gekoloniseerde zand in de ogen door uit te leggen dat hij belangen deelde met de hervormingsgezinde koloniale elite. Fanon waarschuwt dus, net als Camus, voor een intellectuele voorhoede die claimt de waarheid over de opstand in pacht te hebben. Weer staan ze de volksopstand in de weg:

Het opnemen van de gekolonseerde intellectueel in de vloedgolf van het volk, blijkt uitgesteld te worden door het feit dat bij hem een merkwaardige verering van het detail voorkomt. Het is niet zo dat het volk vijandig zou staan tegenover analyse. Het heeft graag dat men de dingen uitlegt, het wil graag de kernpunten van een redenering begrijpen, het wil zien waar het heen gaat. Maar in het begin van zijn vereniging met het volk legt de gekoloniseerde intellectueel een voorkeur voor het detail aan den dag en heeft hij de neiging het verslaan van het kolonialisme, het doel van de strijd, te vergeten (p. 36).

Instrumenteel en intrinsiek geweld

Hannah Arendt

Fanon, op zijn beurt, kreeg een bak kritiek over zich heen, juist omdát hij geweld propageerde. Hannah Arendt was in haar On Violence juist bijzonder kritisch op intellectuele leiders zoals hij. Ook Jean-Paul Sartre, die het voorwoord schreef bij het boek van Fanon, kreeg het ervan langs. Hoewel menswording een centraal concept is in de gedachten van de Marxistische traditie waartoe Fanon en Sartre zich rekenden, Arendt bestrijdt dat dit zou kunnen gebeuren door geweld.

Jean-Paul Sartre

En daarmee was de kous nog niet af: het intellectueel moddergooien ging nog even door. Arendt kreeg de wind weer van voren van denkers die claimden dat ze niet goed had begrepen hoe Fanon tegen geweld aankeek. Neil Roberts[i] claimde dat Arendt te veel uitging van een instrumentele theorie, de gedachte dat geweld niet meer was dan een middel om een bepaald doel te bereiken. Roberts was van mening dat Fanon veel meer uitging van een intrinsiek begrip van geweld, geweld dat in zichzelf waarde heeft. Fanons idee van geweld als een zuiverende, mensworde akte zou een voorbeeld van zo’n intrinsieke benadering kunnen zijn.

Ik heb niet het idee dat Arendt dit verkeerd begreep. Ze schreef dat het ongetwijfeld zo is dat onderdrukten er dagelijks van dromen om hun onderdrukkers van de troon te stoten. Ook bespreekt ze zoals gezegd uitgebreid het idee van geweld in relatie tot menswording. Het punt is alleen dat dromen van bevrijding en menswording in de praktijk vaak op chaos uitdraaien. Ze verwijst naar Marx, en geeft aan dat ook die betoogde dat dit soort dromen nogal eens nachtmerries blijken te worden. Natuurlijk kun je haar dan conservatief noemen, maar dat is iets anders dan dat ze het verkeerd begrepen zou hebben.

Malcolm X vs. Martin Luther King

Martin Luther King en Malcolm X

Het debat dat Fanon aanzwengelde sloeg snel over naar de Amerikaanse burgerrechtenbeweging. Malcolm X wordt wel omschreven als de ‘Johannes de Doper’ die de weg bereidde voor Fanons boek in de Verenigde Staten[ii] of als ‘Fanoniet die nog nooit Fanon gelezen had’[iii]. De burgerrechtenbeweging raakte sterk verdeeld in facties die geweldloosheid predicten, met mensen als Marin Luther King, en facties die geweld accepteerden als zelfverdedigingsmechanisme, rondom mensen als Malcolm X.

Natuurlijk is het in dit soort gevallen nooit mogelijk om ‘theorie’ en ‘praktijk’ uit elkaar te trekken. Ideeën over het al dan niet inzetten van geweld zijn nooit puur theoretisch of praktisch. Het volgende citaat uit een verslag van een debat waaraan Malcolm X deelnam laat zien dat de kampen in dit debat behalve door ideeën ook door de behoefte aan middelen werden ingegeven:

Marlene Nadle stated, “It’s over the tactics of violence vs. nonviolence – or, as Malcolm puts it, self-defense VS. masochism – that he and other civil-rights leaders disagree. This difference is what has prevented the unity that he feels is one of the keys to the struggle. ” Malcolm: It’s not that there is no desire for unity, or that it is impossible, or that they might not agree with me behind closed doors. It’s because most of the organizations are dependent on white money and they are afraid to lose it.

Feit is wel dat alle denkers die hier aan de orde kwamen kritiek uitten op de leidersrol die intellectuelen en theoretici naar zich toe trokken in de context van een revolutie: Camus, Fanon, Arendt. Feit is ook dat ze invloed hadden. De Partij had een geweldsmonopolite, en kon daarmee effectief optreden tegen volksopstanden. Denkers die zich uitlieten over geweld of geweldloosheid wisten groepen achter zich krijgen die vervolgens niet meer met elkaar door een deur konden. Daarmee werd de volksopstand verdeeld, en boette hij aan kracht in.

 

Noten:

[i] Roberts, N. (2004). Fanon, Sartre, Violence, and Freedom. In: Sartre Studies International. Volume 10, Issue 2, 139-160.

[ii] Sales, W. (1994). From Civil Rights to Black Liberation. Malcolm X and the Organization of Afro-American Unity. Boston: South End Press.

[iii] Goldman, P.L. (1979). The Death and Life of Malcolm X. Urbana/Chicago: University of Illinois Press.

Advertisements

Niet gedronken uit de Socratesbeker, wel blij


SocratesbekerOp vrijdag 15 oktober vond de Nacht van de Filosofie 2016 plaats. Onderdeel daarvan was de uitreiking van de Socratesbeker, de prijs voor het meest urgente, oorspronkelijke en prikkelende Nederlandstalige filosofieboek van 2015. De prijs ging naar René ten Bos, voor zijn boek Bureaucratie is een inktvis. Een hele mooie, en originele manier om zo’n ‘droog’ onderwerp levend te maken, waarbij we kennelijk zelfs ons vocabulair om erover te kunnen praten moeten herzien. Zo moeten we het niet langer over pennelikkers, maar over inktschijters hebben als we het over bureaucraten hebben. En dan niet alleen de bureaucratie veroordelen, maar ook omarmen.

Ik was erg blij om voor de prijs genomineerd te zijn, en om het lovende juryrapport te horen, hieronder te beluisteren, met dank aan Anne Schaap voor de foto en video.

Recensie – Peter Sloterdijk, De verschrikkelijke kinderen van de nieuwe tijd


Peter Sloterdijks laatste boek vormt een aaneenrijging van historische gebeurtenissen. Ik miste er een, die misschien wel het best zijn punt illustreert. Ik denk aan een voorval op 24 juli 1965. Bob Dylan besloot op het Newport Folk Festival om zijn akoestische gitaar aan de wilgen te hangen en een elektrische set te spelen. Het verhaal gaat dat Pete Seeger, een nestor in de folk scene, met een bijl de kabels van de versterker te lijf wilde gaan om deze verkrachting van de muziek te stoppen. Van dit verhaal klopt weinig. Seeger had geen bijl, en als hij al iets aan de versterking wilde doen had het andere redenen. Dat dit verhaal niet klopt vergroot het belang ervan alleen maar. De legende is nog altijd illustratief voor iets dat daadwerkelijk gebeurde: de muzikale omslag van genres die nog sterk geworteld waren in traditie naar wat we nu pop muziek noemen. Ontworteling is wat Sloterdijk overal om zich heen ziet, en waar dan ook dit boek over gaat. Volgens hem leren we niet meer van de geschiedenis, hebben we gebroken met tradities en nemen we niets van onze ouders aan. Daardoor zijn we verschrikkelijke kinderen geworden. We proberen steeds alles zelf opnieuw uit te vinden.

 

Geschiedenisbril

Sloterdijk zou een waardeloze geschiedenisleraar zijn. Het is dan ook fijn dat hij dat niet is. Zijn historische anekdotes hebben niet meer met elkaar gemeen dan de interpretatie die hij erop legt. Soms zijn die niet overtuigend. Zo suggereert hij dat het idee van het duizend jaar durende Derde Rijk pure fictie was, alleen omdat Himmler er een toespraak over gaf op het moment dat hij er al niet meer in geloofde. Dat is nogal dunnetjes. Vaak weet hij echter uit een beroemde gebeurtenis iets te halen dat je er nog niet in had gezocht, en doet hij je ermee glimlachen. Hij lijkt te zeggen: probeer ook eens met deze bril naar de geschiedenis te kijken.

Dat is wat Michel Foucault, een van zijn leidsmannen, ook deed met zijn geschiedenis van het straffen. We waren lang geneigd te denken dat een overgang van lijfstraffen naar gevangenisstraffen op humanisering duidde. Foucault probeerde te laten zien dat er bij die ontwikkeling ook disciplinering in het straffen sloop. Zoals Nicholas Rose, een van Foucaults commentatoren opmerkte: hij claimde niet dat we na die omslag in gedisciplineerde samenlevingen leven, maar dat de tendens tot disciplinering bestaat. Zo moeten we Sloterdijk ook lezen: het is niet dat geschiedenis en traditie nergens meer een rol heeft, maar dat er een tendens is om meer in het heden te leven.
Verwondering of onbehagen?

Sloterdijk wordt vaak aangevallen op zijn conservatisme, dat inderdaad door al zijn werk heen sijpelt. In zijn Sferen trilogie schreef hij over manieren waarop we de ruimten waarin we leven proberen te beschermen tegen dreigingen van buitenaf. In zijn boek over de mondialisering (Kristalpaleis) keerde hij zich tegen het kosmopolitisme. We moeten ergens wortelen, zegt hij, ‘inwonen’ in een gemeenschap. En, ‘inwonen blijkt nu eenmaal iets te zijn wat ik alleen bij mezelf en de mijnen doen kan, de ander alleen bij zichzelf en de zijnen’, aldus Sloterdijk.

Dat ook onder de verschrikkelijke kinderen een conservatieve basishouding schuilgaat, blijkt al op de eerste pagina. Hij gebruikt de verbanning van Adam en Eva uit het paradijs als argument om te laten zien dat we sinds het begin van onze cultuur al in het ongewisse leven. Dit kun je opvatten als een aanleiding tot verwondering – hoe is die grote wereld buiten het paradijs eigenlijk? – of als het begin van onbehagen – waren we nog maar in dat paradijs. Sloterdijk gaat duidelijk van dat tweede uit. Het leven zonder geschiedenis, traditie en vaderlijke lessen lijkt voor hem op het balanceren op een losliggende evenwichtsbalk. De praktijk is (natuurlijk) niet zo zwart-wit. Bovendien zullen mensen die verwondering als levenshouding hebben, in plaats van onbehagen, het leven in het nu heel anders ervaren.

 

Alleen het heden is er nog

Net zoals Bob Dylan ontbreekt, zo mist ook een prachtig essay van Michel Foucault over een vraag die Immanuel Kant, een van de grondleggers van de moderne filosofie, in 1784 stelde, namelijk: Wat is Verlichting? Volgens Foucault moeten we de boodschap van het historische tijdperk dat we de verlichting noemen begrijpen als: laten we een kritische houding tot het heden aannemen. We moeten nog steeds het verleden begrijpen, maar puur om te snappen waarom we zijn waar we nu zijn. Op die manier gesteld kan het ‘in het heden leven’ ook een kracht zijn, in plaats van een bron van onzekerheid.

Door te sterk de nadruk te leggen op Sloterdijks conservatisme, zoals andere recensenten doen, missen we misschien een wel heel boeiende omdraaiing die hij in dit werk maakt. Naast zijn stelling dat we ontworteld, onhistorisch en vaderloos zijn, zegt hij ook nog eens dat de toekomst onvast is. Hij beschrijft historische events, die we vaak als progressief beschouwen – de Franse en Russische revolutie en het modernisme in de kunst. Verrassend genoeg betoogt hij dat ze allemaal toekomstloos zijn. Vooruitblikken naar een toekomst waarin we zijn ‘vooruitgegaan’ zijn eigenlijk onmogelijk. Zo buigt hij deze ‘progressieve’ ontwikkelingen eigenlijk om tot gebeurtenissen die zich radicaal op het heden richten. Dit is een interessant gezichtspunt dat best tot nadenken aanzet.

 

Oefenen op het nu

Sloterdijks boek lijkt een breuk te vormen met zijn vorige boek, Je moet je leven veranderen, zoals Hans Achterhuis in zijn recensie opmerkt. Het idee dat daar centraal stond, de moderne samenleving als een grote oefenschool, krijgt nu niet veel aandacht. Weg zijn de bespiegelingen over de manier waarop de gedurende de laatste eeuwen gevormde instituties van onderwijs, sport, psychiatrie en zorg een bepaald soort mens proberen op te leiden. Wel creëert het beeld van een ontwortelde, op het heden gerichte samenleving een nieuwe context om over oefening en zelfverbetering na te denken. Als zijn verhaal consistent is, dan moeten de oefensystemen die hij in zijn vorige boek beschreef ons aanleren hoe we steeds alles opnieuw moeten uitvinden, hoe we ons moeten verhouden tot dat heden waarin we leven.

Aan het einde van het boek blijkt dat hij zou willen dat we ons meer zouden richten op de toekomst, vanuit het idee van duurzaamheid van de economie en de omgang met de natuur. In de laatste zin krijgen wij, de verschrikkelijke kinderen, de opdracht mee ons ‘te oefenen in de in onbruik geraakte kunst van het voortduren’.