Sociologie magazine: Surplace, bewegingen die hun plek opeisen


Dit artikel verscheen eind vorig jaar in Sociologie Magazine

Sander Mensink & Wouter Mensink

#

occupywallstreet begon als een tentenkamp in het kloppend hart van de mondiale financiële markt. De kampeerders hadden maar één eis: bezet de straat, en neem een tent mee! Aan de bankiers hadden ze geen boodschap, en ook de overheid werd om niets gevraagd. Om dat gebrek aan eisen zijn ze vaak verguisd. De beweging zou een tandeloze tijger zijn. Kijk toch hoe dat in de jaren 60 ging!, was een veelgehoorde reactie.

De ‘nieuwste’ sociale bewegingen zijn eigenlijk geen bewegingen. Ze claimen juist een stabiele plek, om van daaruit verder te bouwen. Dat principe is breder verspreid dan alleen in activistische kringen: ook bij burgerinitiatieven in de participatiesamenleving zijn ze te herkennen.

De term ‘sociale beweging‘ stamt waarschijnlijk uit 1848. Hij werd gebruikt om de politieke activiteiten van socialistische groeperingen te beschrijven. ‘Beweging’ was voor socialisten noodzakelijkerwijs nog in de richting van een heilstaat. Marx zag een historische wetmatigheid in de ontwikkeling van feodale samenlevingen, via bourgeois samenlevingen naar een klasseloze maatschappij (het historisch materialisme).

Alternatief model

In de jaren 60 verloor dat idee van historische wetmatigheid de geloofwaardigheid. De hardhandige onderdrukking van de Hongaarse revolutie van 1956 vernietigde het laatste restje hoop dat de Sovjetunie een voortrekkersrol had richting een eerlijkere samenleving. Tegelijkertijd had de materiële welvaart en de opkomst van verzorgingsstaten in veel westerse landen een belangrijk deel van het raison d’ètre van de arbeidersbeweging weggenomen.

Dat wil niet zeggen dat er niets meer was om voor te vechten. De ‘nieuwe sociale bewegingen’ uit die tijd richtten zich op post-materiële thema’s: mensenrechten, milieu, identiteit, gender en cultuur. In tegenstelling tot eerdere bewegingen geloofden ze niet in een noodzakelijk eindstation van de beweging. Wel bewogen ze in de richting van nieuwe samenlevingstypes die ze hoopten te verzwezenlijken. Dat ging nog altijd vaak gepaard met een aanklacht richting overheden en grote bedrijven: Speak truth to power! Stick it to the Man!

De afgelopen jaren spreken we van nieuwste sociale bewegingen: de Arabische lente, de protesten van Spaanse indignados en Occupy. Deze protesten hebben een aantal zaken gemeen, ten eerste wat betreft de bezetting van publieke ruimtes. Denk aan Tahrir plein in Caïro, Puerta del Sol in Madrid, en Zuccotti Park in New York. ‘Bewegen’ in protestmarsen maakte plaats voor ‘bezetting’, en dus stilstaan.

Ten tweede ging het vaak niet (alleen) om een eisenlijstje aan een overheid. Er lag geen vergezicht in het verschiet. Het ging om een alternatief model in het hier en nu, en om wat de gemeenschap zelf kan doen. De poster van Occupy illustreert dat. Occupy stelde: ‘Wij zijn niet die kleine mondiale elite die zich goed staande kan houden in de flexibele wereld van vandaag. Wij zijn de 99%, en willen een plek in die wereld. En zo nodig bezetten we die en richten het in naar ons ideaal.’

Vloeibaar tijdperk

De spanning tussen de flexibiliteit van mondiale elites en de claim van een vaste plek door grote groepen mensen is nergens zo duidelijk aanwezig als in het werk van de onlangs overleden Poolse socioloog Zygmunt Bauman. Bauman stelt dat we sinds de val van het IJzeren Gordijn leven in een ‘vloeibaar’ tijdperk. Het tijdperk daarvoor kende veel meer ‘vastigheid’. Dat zat hem onder ander in grote verhalen als het historisch materialisme, in structurerende instituties als de natiestaat, het huwelijk en de familie. Hij bedoelt niet dat deze ooit zo solide instituties compleet verdwenen zijn. Eerder bevinden ze zich in een staat van ‘vervloeiing’, zoals chocolade wanneer je het verwarmt. Grenzen tussen landen en markten, en tussen stad en platteland zijn steeds vloeibaarder. Liefde op sociale media is steeds meer flexibel.

Een van de centrale vragen die Bauman zich stelt is: waar huist macht in zo’n vloeibare samenleving? Hij concludeert dat machtigen ooit moesten excelleren in zichzelf vastmaken – zoals een adellijke heer in zijn kasteel. Tegenwoordig betekent macht: jezelf ongebonden maken, terwijl je probeert anderen vast te maken, of op zijn minst controle houdt over hun flexibiliteit. Slechts weinigen slagen hier echt in – de CEO’s van deze wereld, hogeropgeleiden, kapitaalkrachtigen. Grote groepen zitten permanent vast in een wereld van armoede en afhankelijkheid en kunnen überhaupt niet bewegen. Een nog grotere groep wellicht – Bauman noemt ze vagabonds – probeert mee te komen in het nieuwe systeem, maar blijft maar hollen om te ontkomen aan armoede en oorlog of op zoek naar werk. Deze groep vormt voor Bauman dan ook ietwat cynisch een collateral damage van de vloeibare samenleving en ligt dicht aan tegen de 99% waarover Occupy sprak.

Wanneer we terugkeren naar de nieuwste sociale bewegingen, leert het werk van Bauman ons dat ze op zijn minst een ambigue relatie hebben met het belang van ‘’beweging’’. Waar de vloeibare samenleving flexibiliteit eist, lijken zij in hun acties juist sterk gebonden aan een eigen vaste plek. In plaats van zich ‘vast te laten maken’ door elites, (her)maken zij hun eigen plekken in die losgeslagen vloeibare wereld, een proces dat door stadssociologen zo mooi placemaking wordt genoemd. Paradoxaal genoeg doen zij dit vaak met hyperflexibele middelen, zoals Twitter en Facebook.

Lekkend asielbeleid

Een mooi voorbeeld van die nieuwste sociale bewegingen is de opkomst van activistische collectieven van ongedocumenteerden en hun supporters. In de laatste maanden van 2012 zagen we in verschillende Europese steden (onder meer in Berlijn, Wenen, Hamburg en Amsterdam) verassend gelijkende fenomenen plaatsvinden: groepen uitgeprocedeerde asielzoekers die met de hulp van een vaak bonte verzameling supporters (publieke) ruimtes bezetten, inrichten en leefbaar maakten. Hoewel de Sans Papiers-beweging in de jaren 90 van de 20e eeuw al vergelijkbare acties ondernam, was de grote maatschappelijke resonantie, de wijde verspreiding en tegelijk uniforme strategie van deze groepen opvallend. De kern van deze collectieven was zichtbaarheid en aanwezigheid als tegenhangers van soms jarenlange ervaringen van onzichtbaarheid en afwezigheid: ‘Wij zijn hier op deze plek en we laten ons niet langer dwingen weer weg te gaan.’

Het zou te ver gaan om te stellen dat deze collectieven geen eisen hebben aan het adres van de overheid; een doel is vaak een herziening van een lekkend asielbeleid, dat gaten bevat waarin deze mensen ‘verdwijnen’. Tegelijkertijd is het te eenzijdig om alleen te kijken naar een eisenlijstje van deze collectieven. De zichtbaarheid en aanwezigheid van een grote groep die volgens de politiek simpelweg ‘niet bestaat’ is reeds een bewijs van een niet te ontkennen werkelijkheid en daarmee een daad van verzet. Uit onderzoek naar dit soort groepen blijkt dat het stellen van een voorbeeld daarbij vaak een belangrijke drijfveer is. Het gaat dus niet alleen om het probleem aan te kaarten bij de politiek en een vraag om verandering in de toekomst; het activisme is tegelijk een soort performance van een mogelijke oplossing.

In de twee jaar geleden gerealiseerde Vluchtmaat in Amsterdam – een uit de Amsterdamse We Are Here-beweging voortgevloeid initiatief – toverden ongedocumenteerden, kunstenaars en ZZP-ers een oude Bouwmaat samen om tot woonplek, creatieve werkruimte, restaurant en ontmoetingsplek. Dit voorbeeld laat zien dat bij een gebrek aan bereidheid tot beweging van overheden op een thema als asiel, het activisme zeker ook gaat over het direct realiseren van alternatieven. Dat zulke initiatieven daarbij steeds meer uit de radicaal-activistische hoek worden gehaald en zelfs salonfähig worden, bewijst de recente nominatie van de Vluchtmaat voor de Dutch Design Awards. De Jury daarvan stelt:

‘In vijf jaar is deze groep erin geslaagd een penibel tentenkamp te veranderen in een goed functionerend en relevant woonmodel. Het is bijzonder om te zien hoe deze groep zich organiseert, ondanks weerstand en tegenslagen. Een indrukwekkend voorbeeld van een uitermate sterk bottom-up initiatief’.’

Hervonden traditie

De werkwijzen van de nieuwste sociale bewegingen spelen niet alleen in links-activistische kringen. Ze zijn ook te herkennen in leefbaarheidsinitiatieven in krimpdorpen. Zo’n tien jaar geleden leefden wereldwijd voor het eerst meer mensen in steden dan in dorpen. Ook in Nederland moeten we nog altijd rekening houden met een verdere afvloeiing van het platteland naar de stad.

In krimpende dorpen sluit vaak de supermarkt, het postkantoor, het verpleeghuis en de lokale kroeg. Voor een baan moet je als dorpeling steeds vaker de auto in. Bovendien ligt voor langdurig werklozen de vraag op de loer: moet ik niet in de stad gaan wonen? Voor velen zou dat een noodzakelijk kwaad zijn, veel dorpsbewoners willen geen stadsbewoners worden. Dorpelingen blijken namelijk gelukkiger te zijn dan stedelingen. De economie mag dan meer flexibel of vloeibaar worden, mensen willen zich daar niet altijd naar voegen.

Een ander mobiliteitsschrikbeeld is dat mensen op hun oude dag nog het dorp uit moeten om in de grote stad in een verpleeghuis te eindigen. In een interview vertelde een dorpsbewoner: “

Een van de opmerkingen van de zorgaanbieders was: ‘Jullie dorp is te klein, er zijn te weinig zorgvragers.’ Ja, dank je de koekoek: er zijn te weinig zorgvragers, ook omdat jullie ze steeds weghalen uit het dorp. [We bedachten:] wij zouden iets moeten gaan organiseren in het dorp om te bereiken dat mensen langer in het dorp kunnen blijven wonen, want dat is wat ze willen.”

Hierin herkennen we hetzelfde principe als in bewegingen als Occupy en We are here. Het gaat om het herclaimen van een plek, het dorp, om daar zelf iets nieuws op te bouwen. Het eisenlijstje voor de overheid is beperkt, al doen ze vaak wel een subsidieverzoek. Men regelt het zelf, in het hier en nu. Vaak is dat in coöperatieve vorm, naar een hervonden traditie: eind 2016 waren er 170 zorgcoöperaties in Nederland, met een sterke vertegenwoordiging op het platteland in de zuidelijke provincies.

Deze recente bewegingen, of ze nu uit links-activistische hoek stammen of uit conventionele acties van groepjes burgers, kunnen we misschien beschrijven als ‘surplace bewegingen’. Net als in het zaalwielrennen gaat het erom pas op de plaats te maken, alvorens de beweging zich voort kan zetten. Dit is wat acties als Occupy en initiatieven van ongedocumenteerden en bewoners van krimpdorpen gemeen hebben: ze doen aan placemaking, en ze doen dat zelf. Dat velen dat met hen doen, laat zien dat er iets is bereikt.

Literatuur:

Ataç, I. (2016). ‘Refugee Protest Camp Vienna’: making citizens through locations of the protest movement. Citizenship Studies, Vol. 20, No. 5, 629-646

Bauman, Z. (2011). Collateral Damage: Social Inequalities in a Global Age. Polity Press: Cambridge

[1] https://www.dutchdesignawards.nl/nl/gallery/habitat/vluchtmaat/

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s