Revolution will not be theorized #4: opbouwende organisatoren


In 2008 was ik in Manchester voor een cursus. We gingen onder andere op bezoek bij een buurtcentrum. Daar kwam ik voor het eerst in aanraking met community building en community organizing. We hoorden over burgerjournalistiek projecten en andere manieren om de buurtgemeenschap actief te krijgen. Er ontstond toen een fascinatie die nooit meer is verdwenen. Misschien was het puur dat de man die ons ontving een enorme inzet en passie uitstraalde, maar ik kon me ineens heel erg voorstellen dat dit de manier was waarop je de samenleving kon veranderen: van onderop. Misschien ging het dan niet om een grootscheepse opstand, maar meer om een verzameling van ‘microrevoluties’.

Rules for radicals

Saul Alinsky

‘Het is nodig te beginnen waar de wereld is, als we hem gaan veranderen in hoe we denken dat hij zou moeten zijn’, schreef de Amerikaanse community organizer Saul Alinsky in zijn Rules for radicals (1971, Dat hoef je niet te nemen! in het Nederlands). Hij wilde expliciet werken ‘binnen het systeem’, binnen de wijken waar mensen wonen en werken. Hoe anders is dat dan het betoog van Herbert Marcuse dat we daadwerkelijke verandering hooguit van buiten het systeem kunnen verwachten. Dat systeem leek in diens werk dermate allesomvattend dat ik weinig hoopvol werd over het veranderingspotentieel van de buitenstaanders, zoals ik in een eerdere blog in deze serie beschreef. Alinsky’s perspectief was dus een verademing.

Radicale theorie

Toch herkennen we ook bij Alinsky het thema dat in deze serie blogs centraal staat: een waarschuwing voor theoretisering van de opstand. Alinsky is radicaal in de manier waarop hij aansluit bij de belevingswereld van mensen, bij de problemen waarmee ze elke dag geconfronteerd worden. Daaromheen probeert hij te organiseren. Zijn boek gaat over organizers: mensen die er kijk op hebben hoe je mensen bij elkaar krijgt om tot verandering te komen.

Je kunt best opgeleid worden tot organizer, volgens Alinsky. Wel doe je er altijd goed aan je te realiseren dat je hooguit een scharniertje bent en dat je niet meer dan een wazige visie op een betere wereld zou moeten hebben. Zijn school voor organisatoren was expliciet niet-theoretisch, en bestond uit learning on the job. Hij verzette zich tegen wat we in Nederland sociale academies noemden. Die hadden in Amerika vaak hun eigen onbegrijpelijk taaltje ontwikkeld. Hij hield zijn leerlingen voor dat je beter jezelf kon zijn, dan een professional. Op school leer je niet meer dan ‘geformaliseerde rommel’.

Piet Reckman was Alinskys Nederlandse geestesverwant. In hetzelfde jaar als Alinsky schreef hij zijn Sociale Aktie, waarin hij fulmineerde tegen het gangbare welzijnswerk dat kliënten (toen nog met een k) alleen als ‘object’ beschouwde en niet als ‘subject’. Opbouwwerk was de in Nederland gangbare term voor het Amerikaanse idee van community organizing. Reckman was nota bene directeur van een sociale academie (en is ook bekend voor zijn inzet in de derde wereld beweging).

Ondemocratiserend opbouwwerk

Aan het eind van het decennium deed filosoof Hans Achterhuis er nog een schepje bovenop in zijn Markt van Welzijn en Geluk (1979). Zich baserend op werk van Illich en Foucault stelde hij dat welzijnswerkers, community organizers incluis, met de diensten die ze aanbieden hun eigen vraag creëren. De arbeiders voor wie ze werkten zaten lang niet altijd op zulke hooggeschoolde leiders te wachten.

Hans Achterhuis

Achterhuis beroept zich op vele anderen als hij stelt dat ‘we geen illusie moeten hebben ten aanzien van de effectiviteit van opbouwwerk met betrekking tot gedragsmodificatie van de mensen op wie het zich richt’. Opbouwwerk zou vooral gericht zijn op de vergroting van de kennis van de opbouwwerker zelf. Met anderen concludeert hij dat ‘het opbouwwerk met fundamentele democratisering in zijn vaandel “in het tegendeel was omgeslagen”’.

De angel zit er voor Achterhuis in dat opbouwwerkers beter denken te weten wat mensen willen, dan die mensen zelf:

Willen cliënten bijvoorbeeld niet met hem [de professional, WM] in zee gaan, dan zal er volgens hem sprake zijn van “een behoefte die gemaskeerd is door afweermechanismen” of van een behoefte die in “verdrongen vorm aanwezig is”. En omdat hij getraind is afweermechanismen en weerstanden te herkennen en te overwinnen, is het manifest maken van een dergelijke, voor buitenstaanders onzichtbare behoefte, voor hem een koud kunstje.

De professional in kwestie lijkt hierbij uit te gaan van een soort ‘onecht’ of ‘vals’ bewustzijn, waarover ook Marcuse al schreef (zie de eerder blog over zijn werk). Dit Marxistische concept duidt de situatie aan waarin de arbeidersklasse zich niet bewust is van haar positie in de kapitalistische samenleving, en van de manier waarop zij wordt uitgebuit. De taak van professionals zou zijn om hun cliënten te helpen de schellen van de ogen te doen vallen, om zo hun ware behoeften te herkennen. Ook al is het zeker denkbaar dat mensen hun behoeften niet altijd herkennen, gaat er een zekere arrograntie van een dergelijke opstelling uit.

Deradicalisering, repaternalisering

Sjakie

Na de jaren ’70 werd het opbouwwerk al snel minder radicaal. De doelstelling van fundamentele democratisering werd bijgesteld naar een meer dienstverlenende rol. Onder invloed van het werk van Achterhuis, en van stereotype sociaal werkers als Sjakie in Flodder, kozen professionals tijden lang voor een meer bescheiden rol. De welzijnswerkers die ik de afgelopen jaren interviewde leken nog altijd een soort basaal wegcijfercomplex te hebben. De sector is zo lang bekritiseerd, waarschijnlijk deels terecht, dat er weinig geloof leek te bestaan in de eigen toegevoegde waarde.

Dat gold in ieder geval tot 1994, toen toenmalig directeur van De Balie Paul Kuypers en auteur Jos van der Lans opriepen tot een nieuw ‘modern paternalisme‘. Die lijn is aangehouden. In 2012 gaf Van der Lans de nieuwe professionals het credo ‘eropaf!’ mee: de sociaal werker moest weer outreachend gaan werken. Hij moet weer ‘acher de voordeur’ en in de ‘leefwereld’ komen. Zo zien we de terugkeer van een professionals met een zelfbewuste, actieve opstelling. En dat is misschien maar goed ook. De hoop is dat er genoeg geleerd is van de kritiek uit het verleden, en dat een al te theoretische opstelling achterwege blijft.

Recent begint er ook weer belangstelling te ontstaan voor de politieke kanten van het werk. Sinds de jaren ’80 was dat redelijk taboe. Mogelijk is ook dat een trend die van overzee komt overwaaien. Een Engelse opbouwwerker stelde in een interview:

Hier in Nederland is de kern van samenlevingsopbouw relaties opbouwen. In het Engelse overheidsbeleid is dat ook zo, maar anderen zeggen dat het erom gaat structuren te veranderen en macht te ontwikkelen. Maar ook dat doe je door relaties met mensen op te bouwen. Dat proces begint waar de mensen zijn. Dan klop je op deuren, praat je met ze in het park, op straat

Jeroen Gradener

Ook Jeroen Gradener geeft op basis van zijn promotieonderzoek in de Verenigde Staten voorbeelden van ‘politiserend opbouwwerk‘. Hoe dit zich precies verhoudt tot het voorbeeld dat Alinsky gaf, zou ik graag nog eens uitzoeken.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

w

Connecting to %s