Revolution will not be theorized #1: De mens in opstand en de hoeders van de revolutie


In 2001 ging ik naar Boedapest om daar stage te lopen. Dat was een rare tijd, want vijf dagen nadat ik aankwam vlogen er twee vliegtuigen het World Trade Center binnen. Ik had een kamer met antieke meubels en schilderijen aan de muur gehuurd bij een hoogbejaarde vrouw. ’s Avonds zaten we samen naar de TV te kijken. Ik hoorde de naam Bin-Laden voor het eerst. Mijn hospita had koekjes gebakken. Ik sprak geen Hongaars, en zij sprak alleen dat. We hadden een Hongaars-Duits woordenboek om mee te communiceren.

Gedenksteen voor de Hongaarse Revolutie bij het Mammut II winkelcentrum

Boedapest was toen nog wat grauwer dan het nu is, maar de herfst was warm dat jaar. Tot eind oktober kon ik zonder jas aan langs de Donau lopen, of op een bankje in de zon zitten in het stadspark. Op 23 oktober kreeg ik griep. Ik had bezoek gehad uit Nederland, en die vertrokken die dag. Een beetje rillerig ging ik nog even naar de 45ste herdenking van de revolutie die daar in 1956 had gewoed. Vlakbij het huis waar ik mijn kamer had was recent een groot, glimmend winkelcentrum geopend, met een monument voor de revolutie naast de ingang. Dat leek me toen al wat gek: een monument, verwerkt in de muur van een mall.

Die Hongaarse revolutie heeft me niet meer losgelaten. Ik wilde na mijn stage graag weer terug naar Boedapest, en bedacht om mijn afstudeerscriptie over die gebeurtenissen van zo lang geleden kon schrijven. Hoewel het al bijna een halve eeuw eerder was gebeurd, mensen praatten er nog steeds over. En, misschien belangrijker: ze leken nog steeds ruzie over te maken over de vraag hoe dat in die tijd allemaal zo gelopen was. Was het nu een nationalistische volksopstand om het communisme omver te werpen, of toch een hervormingsgezinde beweging van intellectuelen die nog steeds geloofden dat een ‘socialisme met een menselijk gezicht’ mogelijk was?

De mens in opstand

Om me in te lezen las ik De mens in opstand van Albert Camus bij mijn ouders in de achtertuin. Dat verscheen in 1951, vijf jaar voor de opstand in Hongarije. Wat er daar gebeurde leek haast een praktijkuitvoering van wat Camus beschreef. Ik stel me voor dat hij gehuild moet hebben toen hij het op de radio hoorde, of misschien wel op een spiksplinternieuwe televisie zag.

Zijn essay werkt toe naar een kritiek op het nationaal-socialisme en het Leninisme. Wat dat laatste betreft gaat zijn aandacht vooral uit naar Lenins idee van een Partij die bestaat uit een voorhoede van de arbeidersklasse. De communistische Partij, waarover ik ook van alles las in verband met Hongarije, was een partij van beroepsrevolutionairen, van theoretici. Zij waren de ware hoeders van de socialistische Revolutie, met een grote R, en dulden geen tegenstand. Camus schrijft: ‘De gedachten, die zich voorgenomen hadden de wereld naar de revolutie te leiden, zijn nu gestold tot ideologieën, die zwijgende instemming in plaats van verzet eisen’ (p. 198). Elke opstand tegen de partij, was een opstand tegen de Revolutie: een contra-revolutie.

Contrarevolutie

Eerste pagina van het verslag van ambassadeur F.W. Craandijk

Deze situatie werd heel treffend beschreven door F.W. Craandijk, de Nederlandse ambassadeur te Hongarije ten tijde van de revolutie. Ik vond zijn verslag in het archief van de ambassade, dat bewaard wordt in het nationaal archief. Op 25 oktober 1956 reed hij met zijn ambtsauto door de straten van Boedapest. De volksopstand, een revolutie in zijn ogen, duurde toen al twee dagen. Het broeide in de stad. Dagelijks was er een enorme menigte op de been. Er gingen geen trams, er was weinig eten te krijgen, en op vele plekken werd gevochten. Russische tanks vochten tegen studenten, die zelfgemaakte molotov-cocktails in de lopen probeerden te gooien.

De ambassadeur bracht dagelijks, en soms zelfs vaker dan dat bericht uit aan Den Haag. Zijn taak was duidelijk: berichtgeving aan de Nederlandse politiek, en garantstelling van Nederlanders die zich in Hongarije bevonden. Toch liet de toestand hem verre van ongemoeid. Hij waagde nogal eens zijn leven om mensen uit een hotel te ontzetten, of om een beeld te krijgen van wat er leefde op straat. In zijn bericht van die dag valt te lezen: ‘Er heerste vanmorgen een volkomen verbroedering tussen alle klassen. Volksvrouwen en dames, arbeiders en burgers drongen om mijn auto en smeekten om wapens uit het buitenland. “Zeg aan Uw regering, dat de radio liegt; het is geen opstand van fascisten maar van alle Hongaren.”’ De door de communistische partij gecontroleerde radio verspreidde het bericht dat er sprake zou zijn van een contra-revolutie. Behalve fascisten zouden er kapitalisten en imperialisten achter de opstand zitten.

Kennelijk bestond de vrees dat dit soort zwartmakerij niet alleen geloofd zou worden door de buitenlandse pers, maar ook door de Hongaren zelf. Een paar dagen later schreef Craandijk: ‘Overal op de muren is een oproep verschenen, die de bevolking opwekt nieuws uit West-Europa en van vrijheidszenders in Hongarije te noteren, op te schrijven, te vermenigvulden en te verspreiden. Eigenaars van schrijfmachines worden opgeroepen deze voor dit doel beschikbaar te stellen’.

Op deze manier ontstond de eigenaardige situatie dat er gevochten moest worden over de vraag wat nu de daadwerkelijke revolutie was: die van het volk, of die van de partij. De geschiedenis heeft geleerd wie de discussie voor de korte termijn won. Op 4 november trokken Sovjettroepen Boedapest wederom binnen, schoten alles aan puin, en installeerden een nieuwe regering. Tot 1990 bleef de opstand officieel een contra-revolutie.

Opstand ingewikkeld gemaakt

Dit is meer dan een praktisch fenomeen. Het is handig om te begrijpen waarom Lenin het nodig achtte dat theoretici de Revolutie zouden leiden. Dat is omdat het idee van de Revolutie nogal ingewikkeld gemaakt was.

Volgens Camus behoort het in opstand komen tot de essentie van het mens-zijn. De geschiedenis van het Westerse denken is doorspekt met opstandjes. Anderen delen die mening, zoals Erich Fromm, die in zijn essay Disobedience as a Psychological and Moral Problem uit 1963 schreef: ‘human history began with an act of disobedience’, verwijzend naar de erfzonde van Adam en Eva.

In de bijbel is Kaïn, de oudste zoon van het eerste mensenpaar, de stamvader van de opstand tegen god. God accepteerde het offer van Kaïns broertje Abel wel, maar diens eigen offer niet. Kaïn kon het niet verkroppen, en bij wijze van misplaatste opstandige daad vermoordde hij Abel – en werd vervolgens het paradijs uitgezet.

Deels heeft de menselijke opstand daarmee een bovenmenselijke gerichtheid: in tegenstelling tot het verhaal van Frankstein en zijn monster – die zijn maker in leven laat – en van Kaïn en Abel is de moord op god een belangrijke lijn in de moderne geschiedenis geweest. Nietzshe had het twijfelachtige genoegen om het slagen van die moord in 1882 wereldkundig te maken, in zijn boek De Vrolijke Wetenschap. Zijn uitspraak ‘God is dood’ is net als Descartes’ ‘ik denk, dus ik besta’ een van de voornaamste one-liners in de filosofiegeschiedenis geworden. Dat de koningen die hun gezag aan god claimden te ontlenen ook een kopje kleiner gemaakt moesten worden was in metafysische zin niet meer dan consequent.

Revolutietheorie

Zo gauw in een opstand de vraag rijst: ‘en wat nu?’, of ‘wat doen we nu als de koning/god dood is?’ wordt de opstandige praat al snel ‘Talkin’ Bout a Revolution’, om met de folkzanger Tracy Chapman te spreken. Het gaat er niet alleen om dat de oude orde moet wijken, er moet ook een nieuwe komen. En niet zo maar een. Volgens Camus is ‘iedere revolutie een poging, de handeling af te stemmen op een idee, ten einde de wereld te pressen in theoretische vorm’ (p. 91).

Dat theoretische aspect is enigszins onvermijdelijk: men moet immers from scratch een hele nieuwe orde verzinnen. En de ene revolutie is de andere niet: het bestuur van je school omver werpen is een ding, maar een nieuwe wereld verzinnen als je net de vermeende maker daarvan hebt vermoord is een andere. Ineens sta je er als mensheid alleen voor. Voor zoiets wil je beslagen ten ijs komen en daarbij niet over een nacht ijs gaan, kortom: je denkt er eens een tijdje over na.

Men probeerde eerst nog eens een aantal ideeën uit die qua universaliteit met god hadden kunnen wedijveren, zoals Kants zuivere rede en Hegels absolute geest. Veel tastbaarder en gevoelsmatig dichter bij het kerkelijke huis was het socialistische idee van de heilstaat. Als god niet meer voor een hemel zou zorgen, waarom maken we dan niet zelf zoiets op aarde? Camus heeft het over een ‘vergoddelijkte staat van mensen’.

Nietzsche zag de bui al hangen, en bestempelde de socialistische beweging in zijn tijd ook snel als erfgenaam van het christendom. Camus citeert hem als volgt: ‘Het moderne socialisme is er op uit een soort van wereldlijke jezuïtenorde te kweken, van de mensen instrumenten te maken’ (p. 69).

Marx creërde volgens Camus nog een andere post-christelijke schijnbeweging: hij verving het idee van de goddelijke wil door het idee ‘vooruitgang’. De geschiedenis zou een noodzakelijke richting hebben, een doel. Door de manier waarop er in het economische systeem ongelijkheid bestond tussen de eigenaren van de productiemiddelen – arbeid, kapitaal en natuur – en de niet-bezittenden, was klassenstrijd onvermijdelijk. In de Franse revolutie had de bourgeoisie de eerste stap gezet door de adel – en hun goddelijke vader – te onttronen. Het was niet meer dan logisch dat de arbeiders vervolgens hetzelfde zouden doen met de bourgeoisie: de fabriekseigenaren, de kapitalisten. De klassenloze samenleving lag voor Marx dus in het verschiet. Camus concludeert: ‘het historische proces is revolutionair, omdat de economie revolutionair is’ (p. 160). De geschiedenis zelf wordt revolutie. Zij krijgt haar eigen dynamiek en stuurt daarmee de wereld aan, zoals god dat in vroeger tijden deed.

Ga er maar aan staan, als fabrieksarbeider, een revolutionaire geschiedenis van bijna goodelijk statuur. Maar om die arbeider, daar ging het misschien ook al niet meer om. Camus citeert Marx als: ‘Wat deze of gene proletariër, wat zelfs het hele proletariaat zich als zijn doel voorstelt, doet niet ter zake’ (p. 184). Vanaf daar is het nog maar een kleine stap naar Lenins voorhoede-adagium.

In een serie blogs onder de titel The revolution will not be theorized wil ik de komende tijd het idee van Camus verder onderzoeken, namelijk dat theorievorming over opstand uiteindelijk de opstand tegenwerkt. The Revolution will not be theorized is een verwijzing naar het nummer The Revolution will not be televized van Gil Scott-Heron.

Advertisements

One thought on “Revolution will not be theorized #1: De mens in opstand en de hoeders van de revolutie

  1. Pingback: Revolution will not be theorized #3: Voorlichters van het eendimensionale volk

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s